Bijtelling? Alleen als een auto ter beschikking is gesteld

De bijtelling voor privégebruik van de auto van de zaak is er al sinds 1951.

Merkwaardig genoeg is er echter weinig jurisprudentie over de vraag wanneer precies sprake is van een auto waarop de bijtelling voor privégebruik van toepassing is. Mijn ervaring is dat die belangrijke ‘voorvraag’ bij discussies over de bijtelling niet moet worden vergeten. Met name in situaties waarin een auto door meerdere werknemers wordt gebruikt voor zakelijke ritten, kan dit een belangrijke vraag zijn.

De bewijslast voor het al dan niet ter beschikking staan, rust op de inspecteur. Dat volgt uit Hoge Raad 13 augustus 2010, 08/03782, LJN BN3831, NTFR 2010/1974: ‘De inspecteur dient aannemelijk te maken dat de auto aan de betrokken belastingplichtige ter beschikking was gesteld’.

Maar wat zijn dan de relevante kaders voor het beantwoorden van de vraag wanneer een auto ter beschikking staat? Een aantal recente uitspraken kan hierbij behulpzaam zijn.

Alleen het feit dat alle kosten, lasten en afschrijvingen ter zake van de auto voor rekening van de werkgever komen en de auto uitsluitend door haar personeelsleden wordt gebruikt (Rechtbank Breda, 4 maart 2011, LJN BP9090, NTFR 2011/1473) is mijns inziens onvoldoende om te kunnen stellen dat een werkgever de auto ter beschikking heeft gesteld aan haar werknemers.

Dat overwoog ook Rechtbank Noord-Holland : ‘Anders dan verweerder betoogt is de rechtbank van oordeel dat de enkele constatering van zakelijk gebruik van de auto door de werknemers van eiseres op zichzelf nog niet met zich brengt dat de auto door eiseres aan die werknemers ter beschikking is gesteld’.

Bij de beoordeling of er sprake was van een al dan niet ter beschikking gestelde auto werd meegewogen dat de auto nooit door werknemers voor woon-werkverkeer is gebruikt, dat de auto bij het kantoor achter een afgesloten hek stond geparkeerd en dat de sleutels van de auto in een kluisje op kantoor werden bewaard bij de sleutels van (bouw)projecten van de werkgever. De Belastingdienst had de auto in de betreffende jaren in totaal twaalf keer in weekenden of op ongebruikelijk late tijdstippen op de weg gesignaleerd. Maar voor elke signalering had de werkgever aangeven dat de auto werd gebruikt in het kader van haar onderneming. Uit genoemde signaleringen in weekenden en op ongebruikelijke tijdstippen volgt niet dat de auto aan de werknemers van eiseres ter beschikking is gesteld, aldus de rechtbank.

In een andere zaak, met betrekking tot een jachthaven, kwam Rechtbank Breda met name door verklaringen van het personeel en afdoende verklaring over het zakelijke aspect van waargenomen ritten tot dezelfde uitkomst: ‘De inspecteur stelt dat de auto’s aanwezig waren en konden worden gebruikt en er geen kilometeradministratie per auto bijgehouden is. De rechtbank leidt uit de verklaringen van de directeur en de overgelegde verklaringen van de werknemers en ex-werknemers echter af dat de auto’s uitsluitend gebruikt konden worden door de werknemers voor de uitoefening van hun werkzaamheden voor belanghebbende maar dat het niet de bedoeling was dat die auto’s ook werden gebruikt voor andere doeleinden zoals de privédoeleinden van die werknemers. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking dat belanghebbende ten aanzien van door de inspecteur genoemde data het autogebruik overeenkomstig die verklaringen heeft toegelicht. Naar het oordeel van de rechtbank staan de auto’s dan niet ter beschikking aan de werknemers in de zin van artikel 13bis van de Wet’. In hoger beroep ziet Hof Den Bosch in deze verklaringen voldoende tegenbewijs en laat het Hof de vraag over de terbeschikkingstelling onbeantwoord.

Hof Arnhem-Leeuwarden , 10 september 2013, ging wél uitgebreid op deze voorvraag in: ‘De Wet geeft geen omschrijving van wat onder terbeschikkingstelling van een auto aan een werknemer moet worden verstaan. Naar het oordeel van het Hof kan een terbeschikkingstelling van een auto aan een werknemer zowel in een ruime als in een beperkte zin worden opgevat. In ruime zin opgevat is van terbeschikkingstelling van een auto aan de werknemer sprake indien, naar de feiten beoordeeld, de terbeschikkingsteller het mogelijk maakt dat de werknemer voor kortere of langere tijd bestuurder van de auto is. In beperkte zin opgevat houdt terbeschikkingstelling van de auto aan een werknemer in dat de werknemer voor kortere of langere tijd de feitelijke macht over de auto uitoefent’.

Vervolgens komt het hof tot het oordeel dat de terbeschikkingstelling in deze beperkte zin moet worden uitgelegd. Redenen daarvoor zijn doel en strekking van de wet (namelijk de waardering van niet in geld genoten loon dat bestaat uit het voor privédoeleinden ter beschikking stellen van een auto aan een werknemer) en de overweging dat ‘naar verkeersopvatting’ de terbeschikkingstelling van een auto op zijn minst ook inhoudt dat de werknemer niet alleen de mogelijkheid heeft om de auto te besturen, maar ook kan bepalen voor welke doeleinden hij die auto dan gebruikt.

Deze eerste toets moet niet te snel worden overslagen. De discussie gaat al snel over op de mate van tegenbewijs en de vraag of bijvoorbeeld een rittenregistratie al dan niet sluitend is. Allereerst zal de inspecteur echter de terbeschikkingstelling moeten bewijzen. Aan de werkgever en diens adviseur de taak om in voorkomende situaties te zorgen voor voldoende onderbouwing voor de stelling dat de auto’s niet ter beschikking gesteld zijn. Arbeidsvoorwaardelijke regelingen en een goede vastlegging van de feitelijke gang van zaken kunnen daarbij behulpzaam zijn.

Bron: Accountancynieuws