Bpm-vrijstelling bestelauto’s

Er geldt een vrijstelling van bpm voor bestelauto’s, die op naam worden gesteld van een ondernemer voor de omzetbelasting. In andere gevallen geldt als grondslag voor de heffing van bpm voor bestelauto’s de netto cataloguswaarde. De vrijstelling voor bestelauto’s van ondernemers vervalt met ingang van 1 januari 2025. De grondslag voor de heffing van bpm van bestelauto’s wordt omgezet naar de CO2-uitstoot. Bestelauto’s en personenauto’s worden daardoor voor de bpm gelijk behandeld.

Afschrijvingstermijn

Bij de berekening van de verschuldigde bpm voor gebruikte bestelauto’s, die niet op naam worden gesteld van ondernemers, wordt een vermindering toegepast. De vermindering is afhankelijk van het tijdsverloop tussen de eerste ingebruikname en het moment dat de bpm verschuldigd wordt. De afschrijvingstermijn voor de bpm bedraagt momenteel vijf jaar. Met ingang van 1 januari 2025 wordt de afschrijvingstermijn verlengd naar 25 jaar. De werkelijke waarde van de binnenlandse referentieauto vormt dan het uitgangspunt voor de vaststelling van de verschuldigde bpm. De belastingplicht wordt per 1 januari 2025 verschoven van de tenaamgestelde naar de inschrijver van de bestelauto in het kentekenregister. De belastingplicht voor de tenaamgestelde blijft alleen van toepassing voor bestelauto’s die voor een bepaald doel zijn ingericht, zoals voor gehandicaptenvervoer.

Tarief mrb bestelauto’s

Een ondernemer betaalt voor een bestelauto een verlaagd tarief voor de motorrijtuigenbelasting. Dit tarief wordt in 2025 en 2026 verhoogd. In 2025 bedraagt de verhoging 15%. In 2026 volgt een verdere verhoging met 6,96%.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 20-09-2022

Autobranche dient petitie in tegen afbouwen BPM-vrijstelling bestelauto’s

BOVAG, RAI Vereniging en een reeks andere ondernemersorganisaties hebben bij de Tweede Kamer een petitie ingediend tegen het afbouwen van de vrijstelling van de BPM-heffing op bestelbussen. Volgens de ondertekenaars is dat een onredelijke lastenverzwaring voor ondernemers en doet het niets voor de vergroening van het bedrijfswagenpark, in tegendeel zelfs.

De petitie werd door voorzitter Jacco Vonhof van MKB-Nederland overhandigd aan de vaste commissie voor infrastructuur en waterstaat. Vandaag, woensdag, is er in de Kamer een debat over duurzaam vervoer. De organisaties vragen de Kamer om de afschaffing van de BPM-vrijstelling voor bestelwagens met fossiele verbrandingsmotor bij het kabinet van tafel te krijgen. “Ondernemers zijn massaal bezig met verduurzaming en willen ook echt hun wagenpark vergroenen. Maar elektrische bestelwagens zijn nog lang geen volwaardig alternatief voor de installateur, hovenier, aannemer en transporteur die óf lange afstanden moet afleggen óf de bus zwaar moet beladen’’, aldus Vonhof.

Verder uit beeld

Er zal met deze maatregel dan ook geen ondernemer méér overstappen op elektrisch, aldus de organisaties. De klimaatdoelen raken eerder verder uit beeld dan dichterbij, omdat ondernemers waarschijnlijk langer in hun oude dieselbus blijven rondrijden of een tweedehands met lagere BPM aanschaffen. Zonder BPM-vrijstelling gaat een nieuwe diesel gemiddeld 11.000 euro meer kosten (+38 procent). “Een excessieve en onredelijke lastenverzwaring voor ondernemers, die vooral het mkb raakt’’, aldus Vonhof. Hij wijst er daarbij op dat vele duizenden mkb-bedrijven afhankelijk zijn van een betaalbare bestelbus om hun boterham te kunnen verdienen. “Een bestelwagen is voor ondernemers geen luxeproduct, maar pure noodzaak.’’

Rooskleurig

Het kabinet wil de vrijstelling van BPM-afdracht voor bestelwagens met een fossiele verbrandingsmotor tussen 2024 en 2026 geleidelijk afschaffen om de elektrificatie van het bestelwagenpark te versnellen. Het verwacht daarmee tussen 2024 en 2030 in totaal 2,2 miljard euro op te halen. Volgens de ondernemersorganisaties is dat een veel te rooskleurige inschatting. Door de maatregel zullen minder ondernemers een nieuwe diesel kopen en vallen de BPM-opbrengsten dus lager uit.

Bron: AutomobielManagement

Onbelaste kilometervergoeding volgend jaar al omhoog

In 2024 nog verder omhoog

De onbelaste kilometervergoeding wordt eerder verhoogd dan gepland. Volgend jaar komt die op 21 eurocent per kilometer te liggen in plaats van de sinds 2006 geldende 19 cent. In 2024 gaat het bedrag verder omhoog naar 23 cent per kilometer.

Het kabinet haalt de beloofde verhoging van de onbelaste kilometervergoeding definitief een jaar naar voren. Dat betekent dat het maximum volgend jaar op 21 cent per kilometer komt in plaats van de huidige 19 cent. In 2024 gaat dat bedrag verder omhoog naar 23 cent. De verhoging stond al in het coalitieakkoord, maar de Tweede Kamer drong onder aanvoering van de regeringspartijen aan op een versnelling, gezien de hoog opgelopen brandstofprijzen.

Staatssecretaris Marnix van Rij (Belastingen) beloofde er werk van te maken, maar zei daarbij dat nog wel financiële dekking moest worden gevonden. Uit de vrijdag openbaar gemaakte Voorjaarsnota valt op te maken dat die dekking er nu is. De maatregel leidt zowel volgend jaar als in 2024 tot een geschatte inkomstenderving van €200 miljoen. Die bedragen stonden eerder pas voor 2024 en 2025 in de boeken.

Of de reiskostenvergoeding ook echt omhoog gaat, is aan werkgevers, Het kabinet verhoogt slechts het maximale bedrag waarover zij geen belasting hoeven af te dragen. Van Rij deed eerder al een beroep op bedrijven om wel gebruik te maken van de geboden ruimte. Vorige maand spraken de vakbonden nog hun twijfel uit of werkgevers de kilometervergoeding gaan verhogen.

Vakbond CNV vindt de verhoging van 2 cent per kilometer te weinig en wil dat er vanaf 2023 al een verhoging tot 23 cent per kilometer wordt ingevoerd. Volgens CNV is 21 cent per kilometer nog niet genoeg voor de meeste werkenden om de reiskosten mee te betalen. “De reiskostenvergoeding is al jaren veel te laag”, aldus Piet Fortuin, CNV-voorzitter. De Vereniging Zakelijk Rijders pleitte in maart voor een veel grotere verhoging van de onbelaste kilometervergoeding. Volgens VZR zou 39 cent per kilometer redelijk zijn.

Bron: Autoweek

Dga fiscaal advies- en administratiekantoor op de vingers getikt over bijtelling en gebruikelijk loon

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft uitspraak gedaan in een langslepend geschil tussen de Belastingdienst en de enig aandeelhouder en directeur van een BV waarmee hij een  fiscaal advies- en administratiekantoor exploiteert.

De fiscus heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht een bijtelling vanwege het privégebruik van een auto in aanmerking genomen, omdat deze aan hem ter beschikking is gesteld. Met betrekking tot een andere auto heeft de fiscus niet aannemelijk gemaakt dat over het privégebruik geen loonheffingen zijn ingehouden en afgedragen. De rechtbank acht de correctie van € 3.753 vanwege het privégebruik van de auto daarom dubbelop. De fiscus krijgt dan wel weer gelijk over het gebruikelijk loon van de man, dat veel hoger had moeten zijn. Een vergrijpboete bij de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014 is naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de werkzaamheden van de man als belastingadviseur, passend en geboden.

Twee auto’s dga

De man was in de jaren 2014 tot en met 2016 enig aandeelhouder en directeur van een BV waarmee een fiscaal advies- en administratiekantoor werd geëxploiteerd. De BV beschikte in de periode van 1 januari 2014 tot 28 juli 2014 over een auto [auto 1], met een cataloguswaarde van € 36.035. [auto 1] is aan de dga ter beschikking gesteld. Ter zake van [auto 1] zijn loonheffingen vanwege het privégebruik van de auto ingehouden en afgedragen. Daarnaast stond in de periode van 1 januari 2014 tot 1 mei 2014 [auto 2] geregistreerd op naam van de BV. [auto 2] heeft een cataloguswaarde van € 33.683. Ook [auto 2] is aan de dga ter beschikking gesteld. Ter zake van [auto 2] zijn geen loonheffingen vanwege het privégebruik van de auto ingehouden en afgedragen.

Boekenonderzoek: navorderingsaanslagen en vergrijpboeten

De fiscus heeft een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van onder meer de aangiften IB/PVV voor de jaren 2014 tot en met 2016. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport. In dit controlerapport concludeert de inspecteur tot correcties over het jaar 2014 vanwege het privégebruik van [auto 1] en [auto 2] . Deze correcties zijn door de inspecteur becijferd op € 3.753 ( [auto 1] ) en € 2.807 ( [auto 2] ). Daarnaast concludeert de inspecteur tot correcties van het loon voor de jaren 2015 en 2016, omdat door de BV gelden zijn overgeboekt naar een bankrekening van een ontbonden vennootschap, waarvan de dga alle aandelen hield, en hij slechts een gedeelte van deze gelden heeft verantwoord als loon in zijn aangiften. De inspecteur heeft de overgeboekte gelden gebruteerd en de correctie van het loon, onder vermindering van het reeds aangegeven loon, gesteld op € 21.028 (2015), respectievelijk € 9.808 (2016).

De inspecteur heeft bij brief van 19 november 2019 aangekondigd over de jaren 2014 en 2015 vergrijpboeten op te leggen op grond van artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). De inspecteur heeft een vergrijpboete opgelegd van 60% over de correcties in de inkomstenbelasting. Daarnaast heeft de inspecteur in hetzelfde geschrift aangekondigd over het jaar 2016 een vergrijpboete op te leggen op grond van artikel 67d van de AWR. De inspecteur heeft deze boete eveneens beperkt tot een boete van 60% over de correctie in de inkomstenbelasting.

De inspecteur heeft de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2014 en 2015 en de definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 conform de bevindingen in het controlerapport vastgesteld. De boetebeschikkingen zijn eveneens conform de kennisgeving van 19 november 2019 vastgesteld.

Rechtszaak

De dga stapt over de kwestie naar de rechter. In geschil is onder anderen of de correcties vanwege het privégebruik van [auto 1] en [auto 2] terecht zijn vastgesteld en of de correcties van het loon terecht en tot het juiste bedrag zijn vastgesteld. Ook de hoogte van de vergrijpboeten is onderwerp van het geschil.

Correcties vanwege privégebruik

De rechtbank overweegt als volgt. Het is vaste rechtspraak dat indien aan een belastingplichtige door zijn werkgever meerdere auto’s ter beschikking zijn gesteld, in beginsel voor ieder van die auto’s een bijtelling dient te worden toegepast.1 Ter zitting heeft de dga desgevraagd geen verklaring kunnen geven wat de basis is van zijn tegenovergestelde standpunt of op welke wet, regelgeving of jurisprudentie hij zijn standpunt heeft gebaseerd. De inspecteur heeft als uitgangspunt terecht voor beide auto’s een bijtelling vanwege het privégebruik in aanmerking kunnen nemen.

Indien een auto aan een belastingplichtige beschikbaar wordt gesteld, wordt deze auto ook geacht voor privédoeleinden aan de belastingplichtige ter beschikking te staan. In dat geval wordt een percentage van de catalogusprijs van de auto tot het loon van de werknemer gerekend. Dit is slechts anders indien blijkt dat de auto voor niet meer dan 500 kilometer per jaar voor privédoeleinden wordt gebruikt.2

De rechtbank volgt de dga niet in zijn stelling dat [auto 2] niet door de BV aan hem ter beschikking is gesteld. Gesteld noch aannemelijk geworden is dat een ander dan de BV, op wiens naam de auto in het kentekenregister staat geregistreerd, de eigendom van [auto 2] bezit. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in het feit dat uit de grootboekkaarten voor het jaar 2014 van de BV blijkt dat de verzekeringskosten en motorrijtuigenbelasting ter zake van [auto 2] als kosten bij de BV in aanmerking worden genomen. De omstandigheid dat [auto 2] niet is geactiveerd op de balans bij de BV maakt – wat daar ook van zij – in dit kader geen verschil. Dan is het aannemelijk geworden dat [auto 2] door de BV aan de dga ter beschikking is gesteld. Tussen partijen is niet in geschil dat [auto 2] voor meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. Dat betekent dat de inspecteur terecht een bijtelling vanwege het privégebruik van [auto 2] in aanmerking heeft genomen.

Wat betreft [auto 1] houdt partijen uitsluitend verdeeld of vanwege het privégebruik van [auto 1] reeds loonheffingen zijn ingehouden en afgedragen. De rechtbank leidt uit de door de dga overgelegde loonstaten met betrekking tot de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2014 tot en met 31 juli 2014 af dat ter zake van [auto 1] rekening is gehouden met een bijtelling. De inspecteur heeft daartegen aangevoerd dat door de BV nadien correctieberichten zijn ingediend met betrekking tot haar aangiften loonheffingen in 2014 en dat daarbij geen rekening is gehouden met een bijtelling voor [auto 1]. Kortgezegd, initieel is het wat betreft [auto 1] goed aangegeven en daarna is het weer teruggedraaid door de dga, aldus de inspecteur. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de inspecteur een overzicht overgelegd waaruit de laatst bekende stand van de aangiften loonheffingen voor het jaar 2014 van de BV ter zake van de dga blijkt. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit een dergelijk overzicht – zonder nadere toelichting en waarvan onduidelijk is wat de herkomst of actuele status van een dergelijk overzicht is – niet worden afgeleid dat door BV correctieberichten zijn ingediend na de datum van de door belanghebbende overgelegde loonstaten. Het had op de weg van de inspecteur gelegen om, gelet op de gemotiveerde betwisting door belanghebbende dat er nadien correctieberichten zijn ingediend, ook de gestelde correctieberichten te overleggen. De rechtbank komt tot de slotsom dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat ter zake van het privégebruik van [auto 1] geen loonheffingen zijn ingehouden en afgedragen. De rechtbank acht de correctie van € 3.753 vanwege het privégebruik van [auto 1] daarom dubbelop, zodat de correctie van de bijtelling ter zake van [auto 1] dient komen te vervallen

Het voorgaande betekent dat de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014 tot een te hoog bedrag is vastgesteld. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014 verminderen tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.159. De beschikking belastingrente dient dienovereenkomstig te worden verminderd.

Gebruikelijk loon

De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) wordt onder loon verstaan loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de Wet LB. Artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) bepaalt, kort gezegd, dat een aanmerkelijkbelanghouder voor zijn werkzaamheden in de vennootschap een gebruikelijk loon geniet. Het gebruikelijk loon wordt – voor zover hier van belang – op de voet van artikel 12a van de Wet LB voor de jaren 2015 en 2016 in beginsel op € 44.000 per jaar gesteld, tenzij aannemelijk is dat ter zake van soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer een lager loon gebruikelijk is.

Vast staat dat de dga in 2015 en 2016 enig aandeelhouder was van de BV en ten behoeve van de BV werkzaamheden heeft verricht. Aldus geldt als uitgangspunt dat de gebruikelijk-loonregeling dient te worden toegepast op de (fictieve) dienstbetrekking van de man. Nu het door de inspecteur vastgestelde gebruikelijk loon niet boven het bedrag zoals genoemd in artikel 12a, eerste lid, van de Wet LB uitkomt, ligt het op de weg van de dga om aannemelijk te maken dat in dit geval moet worden uitgegaan van een lager gebruikelijk loon.3

De dga stelt zich – naar de rechtbank begrijpt – op het standpunt dat het gebruikelijk loon op € 4.729 (2015), respectievelijk € 8.670 (2016) moet worden gesteld. Hij voert aan dat de gelden, die door de BV in de onderhavige jaren naar de bankrekening van zijn ontbonden vennootschap zijn overgeboekt, geen loonbetalingen zijn. De rechtbank vat dit betoog op in de zin dat de dga hiermee beoogt aannemelijk te maken dat ter zake van soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer een lager loon gebruikelijk is en dat er financieel geen ruimte was om een hoger loon te betalen. Volgens de dga zijn de gelden verstrekt door de BV in rekening-courant schuldig gebleven. Dat staat echter niet zo op de balans weergegeven omdat, zo verklaart hij ter zitting, die gelden vervolgens door hem zijn geleend aan derden en toen zijn omgezet in een lening van de BV aan derden. Feitelijk is dan de rekening-courantschuld van de dga aan de BV omgezet in een geldlening van de BV aan de betreffende derden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de dga niet aannemelijk gemaakt dat moet worden afgeweken van het gebruikelijk loon en dus dat het loon berekend door de inspecteur nog verder moet worden verlaagd naar € 4.729 (2015), respectievelijk € 8.670 (2016). Uit het betoog van de man valt – ook hier: wat daar ook van zij – niet op te maken dat ter zake van soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer een lager loon gebruikelijk is. Ook is niet aannemelijk geworden dat er structureel te weinig inkomen werd gegenereerd voor een regulier gebruikelijk loon voor de werkzaamheden van belanghebbende. Dat maakt dat de dga een verdere verlaging van het (gebruikelijk) loon dan waarvoor de inspecteur hem heeft aangeslagen, niet aannemelijk heeft gemaakt.

Het voorgaande betekent dat de inspecteur terecht een correctie van het loon van € 21.028 (2015), respectievelijk € 9.808 (2016) in aanmerking heeft genomen. De beroepen tegen de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2015 en de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 zijn daarom ongegrond.

Vergrijpboeten

Wat betreft de vergrijpboete bij de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014 geldt het volgende. De dga heeft in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2014 in het geheel geen bijtelling wegens privégebruik van [auto 2] in aanmerking genomen. De wet en jurisprudentie biedt geen aanknopingspunt voor het standpunt van de man dat slechts ter zake van één auto bijtelling kan worden toegepast en dat dit voor [auto 1] al was gedaan zodat het voor [auto 2] niet meer hoefde. Ook desgevraagd ter zitting heeft de dga inhoudelijk geen uitleg kunnen geven hoe hij tot dat standpunt is gekomen. De rechtbank is dan ook gelet op voorgaande in samenhang bezien met alle feiten en omstandigheden van dit geval van oordeel dat de dga minstens grofschuldig heeft gehandeld door zodanig lichtzinnig een standpunt in te nemen en in de aangifte te verwerken waarvan duidelijk is dat het onjuist is. De inspecteur heeft de vergrijpboete bij de navorderingsaanslag IB/PVV aldus terecht aan de dga opgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de dga ten aanzien van de jaren 2015 en 2016 geen opzet dan wel grove schuld worden verweten. De man heeft in deze jaren loon van enige omvang in aanmerking genomen. De toepassing van artikel 12a van de Wet LB kan in voorkomende gevallen een bron van discussie zijn tussen de inspecteur en de belastingplichtige, waarbij het gebruikelijk loon zich soms niet eenvoudig laat vaststellen. Dat de dga naar later blijkt een te laag gebruikelijk loon in aanmerking heeft genomen, zoals hier het geval, betekent nog niet dat hij opzettelijk of, voor wat betreft het jaar 2015, grofschuldig heeft gehandeld bij het doen van de aangifte. De gestelde omstandigheden door de inspecteur, zoals het overboeken van zakelijke gelden naar een privé-bankrekening van de dga en dat de boekingen niet goed te volgen zijn, is in dit verband onvoldoende. Daaruit kan namelijk niet zonder meer worden afgeleid dat hij opzettelijk of grofschuldig een te laag gebruikelijk loon in aanmerking heeft genomen. Een dergelijke lastig controleerbaar of verifieerbare wijze van administreren c.q. boeken kan ook goed andere redenen hebben gehad dan het doen van onjuiste aangiften door middel van een onjuist gebruikelijk loon te hanteren. Andere feiten en omstandigheden ter onderbouwing van de stelling dat sprake is van opzettelijk dan wel grofschuldig handelen door de dga heeft de inspecteur niet aangevoerd. De vergrijpboeten bij de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2015 en de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 moeten daarom komen te vervallen. In zoverre zijn deze beroepen gegrond.

De boete dient, gelet op wat is overwogen over het privégebruik van [auto 1], te worden verminderd. Verder is de vergrijpboete bij de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014 naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de werkzaamheden van de dga als belastingadviseur, passend en geboden. De rechtbank stelt de boete dan ook in principe – zie hierna – vast op € 400. Feiten en omstandigheden die aanleiding geven om de boete te matigen zijn gesteld noch gebleken.

De duur van de procedure geeft de rechtbank aanleiding tot verdere (ambtshalve) matiging van de vergrijpboete bij de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014, omdat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste feitelijke instantie. De rechtbank stelt vast dat 19 november 2019 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op dat moment de vergrijpboete is aangekondigd. De rechtbank doet uitspraak op 4 mei 2022. Sinds de aankondiging van de boete zijn dan (afgerond) twee jaar en zes maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat hiermee de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met (afgerond) zes maanden.4 De vergrijpboete bij de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014 wordt daarom gematigd met 10% tot € 360.5

Bron: Accountancy Vanmorgen

Grotere bedrijven doen niets of houden CO2-uitstoot mobiliteit werknemers handmatig bij

De ‘normerende regeling werkgebonden personenmobiliteit’, onderdeel van het Klimaatakkoord, geldt voor alle bedrijven die meer dan 100 medewerkers in dienst hebben. Het kabinet wil met een Algemene maatregel van Bestuur, waarover nog wel met de Tweede Kamer wordt overlegd, snel een aantal zaken regelen. Eén van die onderdelen uit dat zogenaamde ‘Omgevingsbesluit’ is,  dat de werkgevers de CO2-uitstoot die ontstaat door zakelijk en woon- werkverkeer van hun medewerkers, inclusief het OV, gaan monitoren en rapporteren. Hajo Jansen, Regional Vice President West-Europa van Diligent, de aanbieder van digitale ESG-tools meldt: “Misschien omdat er in de berichtgeving hierover wordt gemeld dat de ‘vermoedelijke ingangsdatum’ 1 januari 2023 is, hebben veel bedrijven nog geen enkele actie ondernomen, of zijn begonnen dit handmatig bij te houden. Dat laatste is tijdrovend en bovendien onnodig.”

8.000 bedrijven

Nederland telt ongeveer 8.000 organisaties met 100 of meer werknemers. In de regeling wordt niet gesproken over FTE’s, dus die 100 is inclusief parttimers. Bij deze werkgevers wordt ca. 60 procent van alle werkgerelateerde reiskilometers door werknemers afgelegd. Zij dienen dus vanaf 1 januari 2024 jaarlijks over het afgelopen jaar de werkgebonden personenmobiliteit te rapporteren. Dat betreft het totaal van de door werknemers gereisde zakelijke en woon-werkkilometers, ongeacht of er met de auto van de zaak, de privé-auto (gesplitst naar brandstofsoort), brommer, fiets of OV is gereisd. Jansen: “Voor werkgevers kàn dat een enorme verzwaring van de administratie betekenen, tenzij dit tijdig én digitaal wordt opgepakt. We zien echter nog te veel bedrijven die de kat uit de boom kijken. Door je dit jaar goed voor te bereiden, wordt het monitoren en rapporteren over het jaar 2023 en verder, alleen maar eenvoudiger.”

Nog geen individuele norm

In het Klimaatakkoord hebben de werkgevers bedongen dat er een collectief plafond wordt ingesteld, zonder individuele norm. Staatssecretaris Heijnen van Infrastructuur en Waterstaat heeft daarmee ingestemd, op voorwaarde dat voor 2030 een besparing is gerealiseerd van 1 Megaton CO2. Als op basis van de jaarlijks aan te leveren gegevens in 2026 blijkt, dat de CO2-uitstoot over de afgelopen 4 jaar voldoende is gedaald, is een individuele norm per bedrijf niet nodig. Is er geen sprake van daling en dreigt het emissieplafond overtreden te worden, dan treedt voor werkgevers met 100 of meer werknemers een individuele norm voor zakelijke mobiliteit in werking. De CO2- uitstoot per reizigers­kilometer wordt dan gemaximeerd. Deze wettelijke norm is al opgenomen in de ontwerpregelgeving, en kan in 2026 dus al in werking treden.

Automatisch CO2 berekenen

De werkgevers hebben in het Klimaatakkoord ook bedongen dat deze CO2-registratie verplichting zo min mogelijk extra administratie vergt. Jansen zegt daarover: “In de gesprekken die wij met bedrijven voeren over deze verplichting zien we eerst ongeloof. Men ziet een enorme berg werk op zich afko­men. Als we dan uitleggen dat ze gebruik kunnen maken van een digitale tool, Diligent ESG, waarin parameters automatisch kunnen worden gekoppeld aan bijvoorbeeld kilometeradministraties en reiskostendeclaraties, dan is men gerustgesteld. Ze hoeven dus niet de CO2-uitstoot zelf bij te houden of te berekenen.” Die tool moet in een bedrijf natuurlijk wel worden geïmplementeerd en ingeregeld, door bijvoorbeeld API’s te koppelen aan alle reisgerelateerde onkosten. “We zien sommige alerte administraties nu hele excel-systemen opzetten om deze rapportage op te zetten, maar dat is eigenlijk onbegonnen werk, en dus ook niet nodig.”

De vereiste jaarlijkse rapportages worden door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat beoordeeld. Werkgevers krijgen een basisrapportage terug met een terugkoppeling van de eigen CO2-reductie en eventuele suggesties voor te ondernemen acties.

“Ondanks deze verhoogde aandacht blijven bedrijven op allerlei gebieden handmatig rapporteren, wat hiaten en fouten in de gegevens kan veroorzaken. Bedrijven hebben soms moeite om gelijke tred te houden met de veranderende wetgeving, met alle risico’s op hoge boetes voor niet-naleving van dien. Organisaties met grote hoeveelheden gegevens die een digitale ESG-oplossing gebruiken, zullen effi­ciën­ter werken, toekomstige trends kunnen voorspellen en tevens beschikken over een consistent en betrouwbaar rapportagesysteem”, voegt Jansen toe.

Bron: Duurzaam Ondernemen

Staatssecretaris aanvaardt uitspraak tragische overname auto

De staatssecretaris van Financiën accepteert dat een verlaging van de bijtelling wegens privégebruik plaatsvindt als de auto feitelijk beide echtgenoten ter beschikking staat. Hij heeft daarom zijn cassatieberoep ingetrokken.

De staatssecretaris van Financiën was in cassatie gegaan tegen een uitspraak van Hof Den Haag. Het betrof een man die de Hyundai van de zaak van zijn collega en echtgenote overnam na haar overlijden. Tot die tijd had hun werkgever de man een Volkswagen Up ter beschikking gesteld. De bijtelling vanwege het privégebruik van de Hyundai was alleen toegepast in de periode vanaf de overname van de auto. Het uitgangspunt van het hof was dat de Volkswagen Up van 1 januari 2019 tot en met 25 juli 2019 in gelijke verhouding aan beide echtgenoten ter beschikking was gesteld. Daarom had het hof de bijtelling vanwege het privégebruik van de Volkswagen op een lager bedrag berekend dan de fiscus. Zie ook NTFR 2022/490 en ‘Toch dubbele bijtelling na overname auto’.

Feitelijk terbeschikkingstelling aan beide werknemers

Maar de staatssecretaris heeft besloten af te zien van verder procederen. Hij heeft daarom zijn cassatieberoep ingetrokken. Hij stelt dat het hof op basis van de vastgestelde feiten heeft kunnen oordelen dat de Hyundai in feite aan de man en zijn vrouw tezamen ter beschikking was gesteld. De man heeft na het overlijden van zijn echtgenote alleen deze auto gebruikt. Daarom heeft het hof de bijtelling terecht beperkt tot deze auto. De staatssecretaris merkt nog op dat het een ander verhaal zou zijn als de werkgever de ene auto exclusief aan de vrouw en de andere auto aan de man ter beschikking had gesteld. In die situatie had bij de man wel voor het hele jaar een afzonderlijke bijtelling moeten plaatsvinden. Hij zou dan immers op jaarbasis met de aan hem ter beschikking gestelde auto’s meer dan 500 kilometer privé hebben gereden.

Bron: Ministerie van Financiën 3 maart 2022, nr. 2022-0000071500

Kilometeradministratie echt nodig voor BPM-vrijstelling

Verleent de Belastingdienst de BPM-vrijstelling voor ondernemers ondanks dat de ondernemer aangeeft dat hij geen kilometeradministratie bijhoudt? Dan moet de ondernemer rekening houden met een latere intrekking van die vergunning.

Een dga vroeg op 16 december 2012 een aanvraag vergunning vrijstelling BPM met betrekking tot een Volkswagen Caddy life maxi. De dga gaf aan geen kilometeradministratie te voeren. De fiscus verleende de vrijstellingsvergunning op 20 december 2012. Maar op 15 mei 2018 trok de inspecteur de vergunning in. De dga kon namelijk geen kilometeradministratie overleggen. Daardoor was niet aan te tonen dat minstens 50% van de kilometers zakelijk in het buitenland waren afgelegd, waarbij woon-werkkilometers buiten beschouwing bleven. En dat was wel een voorwaarde voor de vrijstelling. De dga stelt echter dat de fiscus bij hem vertrouwen heeft opgewekt door hem eerst toch een vrijstellingsvergunning te verlenen. Maar Hof Den Bosch oordeelt dat met het verlenen van de vrijstelling geen te eerbiedigen vertrouwen is opgewekt.

Geen alternatief voor kilometeradministratie

Vervolgens behandelt het hof de vraag of de belastingplichtige ook op andere manier dan via een kilometeradministratie aannemelijk mag maken dat hij voldoet aan de voorwaarde. Volgens het hof is het antwoord op die vraag ontkennend. Het gebruik van een kilometeradministratie is hier een materiële voorwaarde. Daarvoor geldt geen goedkeuring dat die soepeler is toe te passen. Overigens meent het hof dat de documentatie die de dga wel heeft overlegd niet het bewijs levert dat is voldaan aan de 50%-norm.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 2 februari 2022 (gepubliceerd 4 februari 2022), ECLI:NL:GHSHE:2022:273, 20/00584

Terechte bijtelling voor Land Cruiser die niet als bestelauto wordt aangemerkt

Hof Den Haag beslist dat X bv niet bewijst dat de aan haar dga ter beschikking gestelde Land Cruiser een bestelauto is die (nagenoeg) uitsluitend geschikt is voor goederenvervoer. De correctie privégebruik auto is terecht.

X bv stelt aan haar dga/enig werknemer B een Land Cruiser ter beschikking die B ook voor privéritten mag gebruiken. B heeft privé geen auto. X bv neemt geen bijtelling in de zin van art. 13bis Wet LB 1964 wegens privégebruik op het loon van B in aanmerking. Volgens X bv is de Land Cruiser een bestelauto die (nagenoeg) uitsluitend geschikt is voor het vervoer van goederen. De inspecteur is het hier niet mee eens. In geschil zijn de naheffingsaanslagen loonheffingen over 2017 en 2018.

Hof Den Haag sluit zich aan bij de rechtbank en beslist dat X bv niet bewijst dat de Land Cruiser een bestelauto is die (nagenoeg) uitsluitend geschikt is voor goederenvervoer. Dat de Land Cruiser in het kentekenregister staat geregistreerd als bestelwagen is daartoe onvoldoende. Uit de overgelegde foto’s blijkt niet dat de Land Cruiser beschikt over een bijzondere inrichting met het oog op goederenvervoer. Ook blijkt dat, indien de achterkant is verwijderd, de Land Cruiser nog over vijf volwaardige zitplaatsen beschikt. De Land Cruiser wordt geacht B ook voor privédoeleinden ter beschikking te hebben gestaan. Niet aangetoond wordt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. De correctie privégebruik auto is terecht aangebracht. Het hoger beroep van X bv is ongegrond.

Bron: taxlive

Hof doet uitspraak over hardheidsclausule bij bijtelling privégebruik auto

De naheffingsaanslag voor een belastingplichtige die een procedure was gestart over de bijtelling voor privégebruik van zijn auto moet aangepast worden. Dat heeft het gerechtshof Den Haag vandaag in hoger beroep beslist. Ook geeft het Haagse gerechtshof het ministerie van Financiën in overweging de hardheidsclausule in deze zaak toe te passen, omdat de nu gehanteerde stelselmatige uitsluiting hiervan bij bijtelling privégebruik auto’s niet past bij een zorgvuldige overheid.

Een belastingplichtige is een procedure gestart over de bijtelling voor privégebruik van een auto in 2019. Een echtpaar (de belastingplichtige en zijn vrouw) werken bij hetzelfde bedrijf en hebben allebei een auto van de zaak. Zij spreken af alleen de auto van de vrouw voor privédoeleinden te gebruiken. De vrouw overlijdt medio 2019. Tot haar overlijden heeft de werkgever geen bijtelling toegepast bij de man (auto 1), maar wel bij de vrouw (auto 2). Vlak na het overlijden van de vrouw ruilt de man, op verzoek van de werkgever, auto 1 om voor auto 2. Vervolgens is bij hem voor de rest van het jaar wel bijtelling voor auto 2 toegepast. De Belastingdienst legt echter ook een naheffingsaanslag loonbelasting op voor de bijtelling voor het privégebruik van auto 1 door de man over het eerste deel van 2019, omdat hij niet aan de voorwaarden voldeed voor 0% bijtelling. Hij heeft namelijk in het gehele kalenderjaar 2019 niet met auto 1 en auto 2 samen minder dan 500 kilometer privé gereden.

Volgens het gerechtshof Den Haag heeft de man weliswaar niet voldaan aan de wettelijke voorwaarden om 0% bijtelling toe te passen, maar is het bedrag van de naheffingsaanslag te hoog. Omdat de man en de vrouw voor hetzelfde bedrijf werkten en ze hadden afgesproken auto 1 alleen te gebruiken voor (het gezamenlijke) woon-werkverkeer, moet de bijtelling worden verdeeld tussen de man en de vrouw. De bijtelling van de man wordt door het hof daarom ongeveer gehalveerd.

De man heeft – buiten deze procedure om – bij het ministerie van Financiën gevraagd om toepassing van de ‘hardheidsclausule’. Dan wordt gevraagd om een uitzondering op de wettelijke regel, als de wet tot onredelijke gevolgen leidt. Het Ministerie heeft dit verzoek afgewezen, omdat het vast beleid is dat de hardheidsclausule nooit wordt toegepast als het gaat om de bijtelling privégebruik auto. De belastingrechter is niet bevoegd de hardheidsclausule toe te passen en is ook niet bevoegd te controleren of de afwijzing door het ministerie terecht is. De Rechtbank had in deze procedure wel de hardheidsclausule toegepast, en hoewel dat niet mag, heeft het Haagse hof daar in dit geval begrip voor. ‘Ten overvloede’ (en dus niet bindend) overweegt het hof dat een beleidsmatige en stelselmatige uitsluiting van de hardheidsclausule niet past bij de zorgvuldigheid die van de overheid mag worden verwacht. De bijzondere omstandigheden van dit geval dwingen tot een zorgvuldige afweging van alle betrokken belangen. Dat is hier niet gebeurd, terwijl deze schrijnende situatie mogelijk voorkomen had kunnen worden. Het Haagse hof geeft het ministerie in overweging het beroep op de hardheidsclausule opnieuw te beoordelen.

Uitspraken

  • ECLI:NL:GHDHA:2022:9

Bron: de rechtspraak

Privékilometers auto vorige werkgever tellen niet mee bij nieuwe werkgever

Tellen de privékilometers, die een werknemer met de auto van zijn vorige werkgever heeft gereden, mee bij de nieuwe werkgever?

Mag een werknemer die halverwege het jaar bij een nieuwe werkgever begint op kalenderjaarbasis weer 500 privékilometers rijden?

Als de werknemer een verklaring geen privégebruik auto heeft, verklaart de werknemer daarin in een kalenderjaar maximaal 500 kilometer privé te rijden.

Stel een werknemer heeft bijtelling van 1 januari  tot en met 30 juni en maakt in die periode meer dan 500 privékilometers. Daarna treedt de werknemer in dienst bij een nieuwe werkgever en vraagt vanaf 1 juli een verklaring geen privégebruik aan. Leidt dit dan tot een naheffingsaanslag voor de werknemer? In het het kalenderjaar zijn immers meer dan 500 privékilometers gemaakt.

Weer 500 privékilometers

De privékilometers die een werknemer met de auto van de vorige werkgever heeft gereden, tellen niet mee bij de nieuwe werkgever. Bij de nieuwe werkgever mag de werknemer dus op kalenderjaarbasis weer 500 privékilometers rijden.

Voorbeeld auto twee werkgevers in één jaar

Een werknemer heeft vanaf 1 januari een auto van werkgever A en een Verklaring geen privégebruik auto. Hij is per 1 juli ontslagen en moet de auto inleveren. De werknemer heeft tot 1 juli 350 privékilometers gereden. Omgerekend naar een heel kalenderjaar is dat 700 privékilometers (12/6 x 350). De werknemer trekt de verklaring daarom direct in. Hij krijgt een naheffingsaanslag voor het voordeel van het privégebruik over januari tot en met juni.

Vanaf 1 oktober heeft de werknemer een nieuwe werkgever, werkgever B. Hij krijgt van deze werkgever ook een auto ter beschikking. De werknemer mag opnieuw een Verklaring geen privégebruik auto aanvragen. Want de privékilometers die hij met de auto van werkgever A heeft gereden, tellen niet mee voor de auto van werkgever B. De werknemer berekent dan hoeveel privékilometers hij tot 31 december maximaal mag rijden, namelijk 3/12 x 500 = 125 privékilometers.

Bron: Forum Salaris