‘EU-landen heffen 398 miljard euro aan autobelastingen’

Duitland haalt 99,9 miljard euro binnen aan belasting en is Europees koploper.

In 2021 halen de Europese landen gezamenlijk 398 miljard euro binnen aan autobelastingen, zo blijkt uit cijfers van Acea. (Foto: Shutterstock)De EU-landen heffen gezamenlijk 398 miljard euro aan autobelastingen, dat is 9,5 procent minder dan vorig jaar. In 2020 leverden de autobelastingen 440 miljard op. Het bedrag is, volgens koepelorganisatie Acea, meer dan tweeëneenhalf keer de totale begroting van de Europese Unie. Dat blijkt uit de 2021-editie van de Tax Guide van Acea.

Koploper is Duitsland dat 99,9 miljard euro binnenhaalt uit belastingen. Een goede tweede is Frankrijk met 86,4 miljard euro, gevolgd door Italië met 76,3 miljard. Het gat met Spanje (30,8 miljard) en Nederland (21,5 miljard) is groot. België hanteert de hoogste autobelasting (gemiddeld 3,187 euro per voertuig), terwijl ons land op de zesde plaatst staat met een gemiddeld bedrag van 2,158 euro per voertuig. Spanje heeft het laagste tarief (1,068 euro)

Investeren

Volgens Eric-Mark Huitema, directeur-generaal Acea, moeten de inkomsten aan autobelastingen gebruikt worden voor de elektrificatie van het Europese wagenpark. “Dat helpt bij de financiering van de oplaad- en tankinfrastructuur die nodig is voor elektrische auto’s. In het eerste kwartaal van dit jaar was bijna 14 procent van alle nieuwe auto’s die in de EU werden verkocht elektrisch oplaadbaar. Deze trend kan echter alleen worden vastgehouden als overheden meer investeren in infrastructuur.” Volgens de koepelorganisatie zijn er in 2024 1 miljoen oplaadpunten nodig in de EU.

Uit de belastinggids blijkt dat in 14 van de 28 EU-landen een belasting heffen die gebaseerd is op de CO2-uitstoot van de personenauto. Hiervan bieden 15 lidstaten koopstimulansen, zoals bonusbetalingen of premies, aan kopers van elektrische auto’s. De meeste landen kennen alleen belastingverlagingen of -vrijstellingen toe.

Bron: Automotive Mangement

Nieuwe rekenhulp btw en de auto

De Belastingdienst heeft een nieuwe rekenhulp online gezet waarmee ondernemers eenvoudig en snel kunnen bepalen of er btw voor een auto moet worden berekend en hoeveel.

De rekentool is te gebruiken als je ondernemer bent voor de btw. Voor deze situaties:

  • privégebruik auto van de zaak
  • zakelijk gebruik privéauto

Gaat het om meer auto’s? Bereken de btw dan voor iedere auto apart. De rekenhulp is ook te gebruiken als je geen kilometeradministratie hebt of een leaseauto hebt.

Gebruik je de auto ook voor vrijgestelde omzet? Vermenigvuldig het antwoord van de rekenhulp dan met de breuk belaste omzet/totale omzet. Dit gebeurt niet automatisch.

Meer informatie van de Belastingdienst over btw en de auto:

Correctie bijtelling privégebruik auto van de zaak

Na de vakantieperiode is het niet ondenkbaar dat werknemers meer gebruik hebben gemaakt van hun auto van de zaak dan initieel gedacht. Dit roept de vraag op wat u als werkgever hiermee moet. Dient u een correctie in uw loonadministratie door te voeren? Alleen voor de toekomst of ook voor het verleden? En wat wanneer uw werknemer u niet op de hoogte stelt van zijn extra privégebruik, maar u dit wel kunt afleiden uit zijn verhalen? Kunt u dit naast u neerleggen of is fiscale actie dan wel verstandig?

De coronacrisis deed veel Nederlanders hun vakantie in eigen land doorbrengen. Hierdoor is er wellicht meer gereisd met de auto van de werkgever dan in andere jaren, toen werknemers een zonvakantie per vliegtuig boekten.

Vol in de prijzen

Allereerst moet u zich realiseren dat deze extra privékilometers ertoe kunnen leiden dat er over het hele jaar een bijtelling is verschuldigd voor de auto van de zaak. Het feit dat deze overschrijding slechts in twee weken wordt gerealiseerd doet hier niets aan af. Als de grens van maximaal 500 privékilometer is overschreden is een bijtelling onvermijdelijk geworden. De berijder valt zodoende vol in de prijzen! Dit geldt ook wanneer een berijder twee verschillende leaseauto’s in één jaar gebruikt. Wanneer hij met één van deze auto’s te veel privé rijdt, dan dient er voor beide leaseauto’s tijdens de gehele gebruiksduur dat jaar een bijtelling in aanmerking te worden genomen.

Verklaring

Dan de verdere uitwerking van onze vakantiecasus. Wanneer de berijder van de leaseauto een zogenaamde ‘Verklaring géén privégebruik auto’ heeft aangevraagd dan moet deze zo spoedig mogelijk worden ingetrokken. Dit dient de werknemer zelf te doen via de site van de Belastingdienst. Vervolgens dient u als werkgever vanaf het moment van intrekking een bijtelling in aanmerking te nemen voor de auto van de zaak. Deze bijtelling gaat dan over de komende maanden en niet over de reeds verstreken maanden. Hiervoor krijgt de werknemer zelf de fiscale rekening. De werkgever ontvangt van de fiscus ook bericht dat de verklaring door de werknemer is ingetrokken.

Naheffing

Voor de reeds verstreken maanden hoeft u als werkgever niets te doen. De Belastingdienst stuurt de werknemer hiervoor namelijk een naheffingsaanslag met daarin een rekening voor de loonbelasting, premies werknemersverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. Bovendien kan er belastingrente in rekening worden gebracht.

Let op! Wanneer u als werkgever wist of behoorde te weten dat uw werknemer zijn auto van de zaak ook privé gebruikt, maar toch geen bijtelling in aanmerking is genomen vanwege de aanwezigheid van een verklaring, dan kan de fiscus ook bij u aankloppen. Sterker nog, de kans is groot dat hij dit zal doen omdat u als werkgever inhoudingsplichtig bent voor de loonbelasting. U bent in dat geval wettelijk verplicht om correctieberichten in te dienen over de reeds verstreken maanden van het kalenderjaar.

Let op! Wanneer de intrekking van de verklaring (te) lang op zich liet wachten of niet is aangevraagd, dan kan de berijder ook nog worden geconfronteerd met een boete die kan oplopen tot maar liefst 5.514 euro. Het is dan in het belang van de werknemer dat hij tijdig de overschrijding kenbaar maakt bij de fiscus. Als werkgever kunt u hem hierop wijzen wanneer u weet of vermoedt dat er meer dan 500 kilometer per jaar privé worden gereden met de auto van de zaak.

Verkeerd verwerkt

Buiten de mogelijkheid dat een vakantie leidt tot meer privékilometers is het ook denkbaar dat de bijtelling simpelweg verkeerd is verwerkt in de loonadministratie. Bijvoorbeeld omdat de cataloguswaarde van de auto van de zaak nog niet is aangepast bij het wisselen van de auto. Wat zijn de consequenties als de bijtelling niet of incorrect is toegepast? Bij wie ligt de verantwoordelijkheid en het risico bij het privégebruik en fouten in de bijtelling?

Verantwoordelijk voor loonaangifte

Bij een fout in de bijtelling wegens privégebruik van de (bestel)auto van de zaak klopt de Belastingdienst meestal bij de werkgever aan. Deze is namelijk als inhoudingsplichtige eindverantwoordelijk voor de juiste (loon)aangifte. Alleen als de naheffing een verwijtbare fout is van de werknemer, zal de Belastingdienst privé bij hem aankloppen. De Belastingdienst legt uw organisatie een naheffingsaanslag loonheffingen op, als u:

  • heeft verzuimd om de bijtelling wegens privégebruik op te tellen bij het loon;
  • een fout heeft gemaakt in de verloning van de bijtelling over het betreffende tijdvak;
  • de verkeerde cataloguswaarde voor de auto hanteert;
  • het verkeerde bijtellingspercentage toepast;
  • de eigen bijdrage voor het privégebruik foutief heeft verrekend.

Voor rekening werknemer

Het is natuurlijk niet altijd uw schuld dat een bijtelling niet of verkeerd wordt verwerkt in de loonadministratie. Als de naheffing voor rekening van de werknemer komt, draait hij op voor alle nog verschuldigde loonheffingen. In de naheffing zitten ook de bijdrage ZVW en de premies werknemersverzekeringen die normaal gesproken voor rekening van uw onderneming komen.

De naheffing (inclusief boete) komt voor rekening van uw werknemer als:

  • hij de auto van de zaak voor 500 kilometer of meer binnen een jaar gebruikt, terwijl hij beschikt over een ‘Verklaring geen privégebruik auto’;
  •  hij de ‘Verklaring geen privégebruik auto’ intrekt in de loop van het jaar, omdat hij de 500-kilometergrens overschrijdt.

Deze uitzondering is dus van toepassing op onze vakantiecasus waarin een verklaring is aangevraagd. Daardoor komt de correctie via een naheffingsaanslag bij de werknemer terecht en hoeft u alleen voor de toekomstige maanden te corrigeren.

Hoe voert u correctie door?

Bij onjuistheden of onvolledigheden in de loonaangifte is het zaak om de fout op eigen initiatief zo snel mogelijk te corrigeren of de ontbrekende informatie aan te vullen. Bijvoorbeeld omdat u ontdekt dat de rittenregistratie onvolledig is of ontbreekt van een werknemer bij wie u de bijtelling achterwege laat.

De aanpak hangt af van het tijdstip van de correctie:

  • De aangiftetermijn van het betreffende tijdvak is nog niet verstreken: u doet opnieuw aangifte of stuurt een aanvullende loonaangifte in. Geen boete.
  • Correctie bij de eerstvolgende of daaropvolgende aangifte: verrekening van de correctie en reguliere aangifte. In principe geen boete.
  • Na het verstrijken van de laatste aangiftetermijn van het betreffende kalenderjaar: u dient een losse correctie in. Er volgt een naheffingsaanslag en eventueel een boete.

Belastingrente

U kunt ook geconfronteerd worden met belastingrente. Als uw correctie betekent dat u nog een bedrag moet betalen over een vorig jaar, betaalt u belastingrente over dat bedrag. De Belastingdienst berekent de belastingrente over de periode vanaf 1 januari van het jaar na het jaar waarop de correctie betrekking heeft, tot en met de datum waarop u de naheffingsaanslag uiterlijk betaald moet hebben. Dit laatste betreft de datum van de naheffingsaanslag plus 14 kalenderdagen. De belastingrente is gekoppeld aan het wettelijk rentepercentage voor niet-handelstransacties. Daarbij geldt een minimum van 4 procent. U bent geen belastingrente verschuldigd als u op eigen initiatief of na een correctieverzoek een correctie over een jaar verzendt vóór 1 april van het daaropvolgende jaar.

Verhalen?

U kunt de naheffingsaanslag die de Belastingdienst aan u oplegt niet zomaar verhalen op uw werknemer. Dit kan alleen als u om een zogenoemde verhaalbare naheffingsaanslag verzoekt. Bovendien moet de autoregeling waarin de rechten en plichten ten aanzien van de auto van de zaak tussen u en de werknemer staan vermeld hier ook op worden nagekeken. Vaak staat hierin een bepaling die vermeldt dat u het recht heeft een dergelijke naheffing op de werknemer te verhalen. Hiermee kunt u de naheffing verhalen op uw werknemer, bijvoorbeeld omdat u onterecht de bijtelling wegens privégebruik van de auto van de zaak achterwege heeft gelaten. De werknemer is namelijk bij de bijtelling wegens privégebruik van de auto van de zaak de uiteindelijke belastingplichtige, waarbij u alleen maar een doorgeefluik bent voor de verschuldigde inhouding.

Beoordeling door inspecteur

De arbeidsrechtelijke mogelijkheid om de te weinig geheven belasting op de werknemer te verhalen is lastig als u niet verzoekt om een verhaalbare naheffingsaanslag. Alleen bij duidelijk verwijtbaar gedrag maakt u een kans bij de rechter. De inspecteur beoordeelt of het aan uw organisatie te wijten is dat u te weinig loonheffingen heeft afgedragen of dat het de schuld is van de werknemer. Bijvoorbeeld omdat hij relevante informatie heeft achtergehouden of geen sluitende kilometeradministratie heeft bijgehouden.

Beschikking

De inspecteur zal een verhaalbare naheffingsaanslag opleggen als er geen praktische bezwaren zijn tegen het verhalen van de naheffing op uw werknemer. Stemt de inspecteur in met uw verzoek, dan ontvangt u een beschikking waarin staat dat de Belastingdienst de eindheffing niet toepast. De naheffing moet u dan voor de betreffende werknemer verwerken. Als u het verhaalbare deel van de naheffing niet verhaalt op de werknemer, moet u het voordeel als loon bij de werknemer in rekening brengen of als eindheffingsloon ten laste van de vrije ruimte verwerken.

Boetes

Ten slotte nog aandacht voor het risico op een boete dat u loopt als werkgever. U kunt worden geconfronteerd met een verzuimboete of een vergrijpboete. Dit is afhankelijk van de vraag of het aan uw opzet of grove schuld te wijten is dat er te weinig belasting is ingehouden. De Belastingdienst maakt een onderscheid tussen de volgende verzuimen:

  • betaalverzuim vanwege een foute of onvolledige aangifte;
  • aangifteverzuim vanwege een foute of onvolledige aangifte;
  • correctieverzuim

Betaalverzuim vanwege een foute of onvolledige aangifte

Als uw correctie betekent dat u een bedrag moet bijbetalen, betaalt u de loonheffingen te laat. Als u de correcties verzendt en er is geen sprake van een vergrijpboete, krijgt u geen boete als:

  • het totale bedrag van de correcties op jaarbasis 20.000 euro of minder is;
  • het totale bedrag dat u nog moet betalen, meer dan 20.000 euro is, maar minder dan 10 procent van het bedrag dat u eerder hebt betaald over de aangiften die u nu corrigeert;
  • In alle andere gevallen krijgt u een boete van 5 procent van het totale bedrag. De boete is maximaal 5.278 euro.

Grove schuld

In plaats van een betaalverzuimboete kunt u een vergrijpboete krijgen. Voorwaarde is dat er sprake is van grove schuld of (voorwaardelijke) opzet. De Belastingdienst moet schriftelijk aangeven waarom sprake is van grove schuld of (voorwaardelijke) opzet. Bijvoorbeeld omdat u voor geen enkele werknemer een bijtelling in aanmerking neemt terwijl evident is dat dit wel noodzakelijk is. U kunt hierop reageren voordat de boete definitief wordt vastgesteld. De hoogte van de boete bedraagt dan 25 of 50 procent van het gecorrigeerde bedrag.

Aangifteverzuim

Als u aangifte hebt gedaan en deze aangifte corrigeert, was de eerdere aangifte fout of onvolledig. U kunt daarvoor dan een aangifteverzuimboete krijgen. De Belastingdienst is terughoudend met het vaststellen van deze aangifteverzuimboetes. Voor deze aangifteverzuimboetes geldt het volgende:
– corrigeert u een aangifte op eigen initiatief, dan krijgt u geen aangifteverzuimboete;
– corrigeert u een aangifte omdat de fiscus u daartoe verplicht heeft, dan kunt u een aangifteverzuimboete van 65 euro krijgen. Doet u keer op keer fout of onvolledig aangifte, dan kan de verzuimboete worden verhoogd, met een maximum van 1.319 euro.

Correctieverzuim

Als u een correctie niet, te laat, fout of onvolledig verzendt, is er sprake van een correctieverzuim. De eerste keer zal de Belastingdienst niet in actie komen, maar als u bijvoorbeeld keer op keer de correcties niet, te laat, fout of onvolledig verzendt, kan de boete oplopen tot maximaal 1.319 euro.

Bron: CM

Bijtelling bij tijdelijke onderbreking of einde dienstbetrekking

Als een werknemer na einde dienstbetrekking nog gebruikmaakt van een auto van de zaak, is geen sprake meer van zakelijk gebruik. Dit is ook het geval bij arbeidsongeschiktheid en loopbaanonderbreking. In een handreiking van de Belastingdienst staat wat de gevolgen zijn voor de bijtelling privégebruik auto en hoe de werkgever dit moet verwerken in de aangifte loonheffingen.

De handreiking die is opgesteld door Forum salaris bevat de volgende informatie.

—————————–

In de volgende situaties gebruikt een werknemer tijdelijk of permanent de auto van de zaak niet meer zakelijk:

  • bij einde dienstbetrekking;
  • bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid;
  • bij permanente arbeidsongeschiktheid;
  • bij loopbaanonderbreking.

Heeft de werknemer tijdens tijdelijke arbeidsongeschiktheid en loopbaanonderbreking de auto van de zaak nog ter beschikking, dan blijft de regeling privégebruik auto op basis van bijtellingspercentages (hierna: bijtellingsregeling) van toepassing. Bij einde dienstbetrekking en permanente arbeidsongeschiktheid geldt deze bijtellingsregeling niet meer. Dan moet de werkgever de waarde van het werkelijke privégebruik tot het loon rekenen.

De bijtelling voor de auto van de zaak verwerkt de werkgever in de aangifte loonheffingen als loon in natura.

Einde dienstbetrekking

Als de werkgever na einde dienstbetrekking een auto ter beschikking stelt aan een ex-werknemer is geen sprake meer van zakelijk gebruik. De werknemer gebruikt de auto alleen nog voor privédoeleinden. Daarom is de bijtellingsregeling niet meer van toepassing.

De werkgever waardeert de werkelijk gereden privékilometers op de waarde in het economisch verkeer. Die waarde is het aantal privékilometers vermenigvuldigd met de kilometerprijs en verminderd met de eigen bijdrage van de werknemer. De uitkomst mag per saldo niet negatief zijn.

De waarde van het privégebruik is loon uit vroegere dienstbetrekking, dus hier moet de groene tabel worden gebruikt.

Tijdelijke arbeidsongeschiktheid

De bijtellingsregeling blijft gelden als een werknemer tijdens tijdelijke arbeidsongeschiktheid de auto van de zaak mag blijven gebruiken. De verwachting is namelijk dat de werknemer in de toekomst weer zakelijk gaat rijden met de auto. De bijtellingsregeling is van toepassing als de auto naast zakelijk gebruik ook voor privédoeleinden ter beschikking staat.

Dit geldt ook als de werknemer door ziekte niet in de auto kan rijden. De auto staat nog steeds ter beschikking.

Permanente arbeidsongeschiktheid

De bijtellingsregeling geldt niet meer als een werknemer permanent arbeidsongeschikt is en nog een auto van de zaak ter beschikking heeft. Dit geldt vanaf het moment dat de verwachting is dat de werknemer de auto niet meer voor zakelijke doeleinden gaat gebruiken.

De werkgever waardeert de werkelijk gereden privékilometers op de waarde in het economisch verkeer. Die waarde is het aantal privékilometers vermenigvuldigd met de kilometerprijs en verminderd met de eigen bijdrage van de werknemer. De uitkomst mag per saldo niet negatief zijn.

De waarde van het privégebruik is loon uit vroegere dienstbetrekking. Ook hier moet de groene tabel worden gebruikt.

Loopbaanonderbreking

Als een werknemer tijdens een loopbaanonderbreking nog een auto van de zaak tot zijn beschikking heeft, blijft de bijtellingsregeling gelden. De regeling blijft van toepassing omdat verwacht wordt dat de auto in de toekomst nog voor zakelijke doeleinden gebruikt zal worden. De bijtellingsregeling geldt als de auto naast zakelijk gebruik ook voor privédoeleinden ter beschikking staat.

Privégebruik auto en weinig of geen loon in geld

Als de werknemer weinig of geen loon in geld ontvangt, moet de werkgever over de bijtelling privégebruik auto toch alle loonheffingen betalen. De werkgever kan ervoor kiezen of hij dit wel of niet verhaalt op de werknemer.

Verhalen op de werknemer
De werkgever mag de loonbelasting/premie volksverzekeringen (LB/PVV) en de in te houden bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) verhalen op de werknemer. Dit geldt niet voor de premies werknemersverzekeringen en de werkgeversheffing Zvw.

Als de werknemer nog loon ontvangt, kan de werkgever dit doen via verrekening in het eerstvolgende loontijdvak.

Niet verhalen op de werknemer
Als de werkgever de LB/PVV en bijdrage Zvw niet verhaalt op de werknemer, kunnen zich twee situaties voordoen:

  1. De werkgever verhaalt dit bedrag in een later loontijdvak. Hij geeft de werknemer dan een lening voor dit bedrag tot het moment waarop hij de bedragen alsnog verhaalt. Als sprake is van rentevoordeel bij deze lening, dan is dit loon voor de werknemer. De werkgever kan dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon.
  2. De werkgever verhaalt dit bedrag niet op de werknemer. Het bedrag is nettoloon van uw werknemer. Dit nettoloon moet de werkgever omrekenen naar een brutoloon. Hij kunt dit nettoloon ook aanwijzen als eindheffingsloon.

Excessief privégebruik

Als de werkelijke waarde van het privégebruik duidelijk meer is dan de bijtelling op basis van het algemene bijtellingspercentage, is sprake van excessief privégebruik van de auto. Dit kan voorkomen bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid of loopbaanonderbreking.

De werkgever moet dan uitgaan van de hogere waarde van het privégebruik. Als er een korting op het algemene bijtellingspercentage van toepassing is, dan past de werkgever die korting toe op de grondslag. De uitkomst daarvan trekt hij af van de waarde van het privégebruik. Rekenvoorbeelden staan in paragraaf 21.3.3 Handboek Loonheffingen van de Belastingdienst.

Bron: Belastingdienst/Forum salaris

Nederlandse steun voor fossiele industrie dit jaar 4,5 miljard

Fossiele industrie De Nederlandse overheid geeft jaarlijks zeker evenveel uit aan steun aan fossiele brandstoffen als aan subsidies voor CO2-besparing. De fossiele subsidie nam de afgelopen jaren toe.

Nederland geeft dit jaar minimaal 4,5 miljard euro aan financiële steun aan de fossiele industrie. Dat schrijft minister Eric Wiebes (Economische Zaken en Klimaat, VVD) maandag in een Kamerbrief.

Daarmee geeft de Nederlandse overheid jaarlijks zeker evenveel uit aan steun aan fossiele brandstoffen als aan subsidies voor CO2-besparing. Uit antwoorden op Kamervragen van GroenLinks en D66 die Wiebes maandag ook verstuurde, blijkt dat de jaarlijkse uitgaven voor klimaatbeleid waarschijnlijk tussen 4 en 5 miljard euro uitkomen. De nationale steun voor de fossiele industrie is met minstens 4,5 miljard euro zeker zo groot.

De Tweede Kamer had al in januari 2018 om de cijfers gevraagd, naar aanleiding van een internationale discussie over fossiele subsidies. Er is al jaren discussie over de mate waarin de Nederlandse staat subsidie verstrekt voor het gebruik van fossiele brandstoffen. Begin 2018 nam de Tweede Kamer twee moties aan van linkse oppositiepartijen en D66. De partijen vroegen het kabinet om mee te werken aan onderzoek van de G20 naar fossiele subsidies; en om „fiscale prikkels” af te bouwen die de nationale klimaatdoelen tegenwerken.

Het duurde tweeënhalf jaar voor Wiebes het gevraagde overzicht verstrekte. Volgens het ministerie kon Nederland ondanks verzoeken niet meedoen aan het G20-onderzoek, omdat het geen permanent lid is. Het onderzoek is nu volgens dezelfde methodologie uitgevoerd.

Steun nam toe

Veruit het grootste deel van de berekende fossiele steun zijn vrijstellingen van de accijns op kerosine en scheepsbrandstof voor de internationale lucht- en scheepvaart. Daarmee worden die sectoren met respectievelijk 2,5 miljard en 1,5 miljard euro gesteund. Andere sectoren die overheidssteun uit Nederland ontvangen zijn onder meer de glastuinbouw (160 miljoen euro) die een speciaal verlaagd tarief voor energiebelasting betaalt; en de zware industrie (104 miljoen euro) die voor bepaalde processen vrijstellingen van de energiebelasting geniet.

De nationale steun aan fossiele brandstoffen nam de afgelopen jaren toe van 4,1 miljard euro in 2016 tot 4,5 miljard euro nu. Die genoemde bedragen zijn echter niet volledig, volgens het ministerie, omdat bepaalde posten niet te berekenen zijn. Zo genieten zowel elektriciteitscentrales als raffinaderijen vrijstellingen van energiebelasting op fossiele brandstof, maar die vrijstellingen worden niet geregistreerd door de Belastingdienst.

Ook betalen grootverbruikers van elektriciteit en gas, zoals fabrieken, per kilowattuur (kWh) stroom of kubieke meter aardgas veel minder energiebelasting dan kleinverbruikers zoals huishoudens. Volgens het ministerie is echter niet te bepalen met welk tarief er vergeleken zou moeten worden om de fossiele steun aan de grootverbruikers te berekenen.

Kortingen ter discussie

Al jaren uiten economen en milieubeweging kritiek op fiscale steun van overheden aan de fossiele industrie. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) schatte vorig jaar dat de Europese Unie 289 miljard dollar (244 miljard euro) aan subsidies op fossiele brandstoffen verstrekt. Het gebrek aan „efficiënte beprijzing” voor kolen, olie en aardgas leidt volgens het IMF tot extra CO2-uitstoot en luchtvervuiling.

Europese wetgeving biedt veel ruimte om fossiele bedrijven te steunen via belastingkortingen. Die kortingen staan echter ter discussie vanwege de aangescherpte Europese klimaatdoelen. Voorzitter van de Europese Commissie Ursula von der Leyen zal woensdag aankondigen dat in 2030 de CO2-uitstoot 55 procent lager moet zijn dan in ijkjaar 1990. Onderdeel van de ‘Europese Green Deal’ is hervorming van de energiebelastingen.

Minister Wiebes schreef maandag dat Europese regelingen voor belastingvermindering of -vrijstelling voor fossiele energie „niet passen” in de energietransitie. Daarnaast wordt momenteel de Nederlandse energiebelasting geëvalueerd, volgens Wiebes met het doel het gebruik van fossiele brandstof te verminderen. Hij wil echter wel een „gelijk speelveld” voor de Nederlandse industrie binnen Europa.

Het ministerie kreeg eerder verwijten dat het steun aan de fossiele industrie te beperkt voorstelt. Vorig jaar schreef Wiebes op Kamervragen dat in Nederland „het gebruik van fossiele brandstoffen niet [wordt] gestimuleerd”, en dat Nederland binnen het samenwerkingsverband OESO van rijke landen „een van de koplopers” is in milieubelastingen.

Bron: NRC

Privégebruik auto en coronacrisis: vragen en antwoorden

De Belastingdienst beantwoordt vragen over loonheffingen tijdens de coronacrisis, waaronder over het privégebruik van auto’s. Door de coronacrisis kan er veel veranderd zijn voor de werkgever en de werknemers. Wat betekent dit voor het privégebruik van de auto van de zaak?

Vraag 1. De werkgever heeft een auto ter beschikking gesteld aan een werknemer. Deze auto staat vanwege de coronacrisis lang stil. Dit kan tot technische problemen leiden. Als de werknemer een rit met de auto maakt om dat te voorkomen, geldt dat dan als zakelijk gebruik van de auto?

Ja, als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • De werkgever geeft opdracht voor deze rit.
  • De werkgever kan aannemelijk maken dat hij hiervoor zakelijke redenen heeft.
  • De werknemer verantwoordt deze rit in de kilometeradministratie.

Vraag 2. Normaal past de werkgever de ‘achter het hek’-regeling toe voor de leaseauto’s die hij ter beschikking stelt aan de werknemers. Maar tijdens de coronacrisis werken de werknemers vooral vanuit huis. Daardoor staan deze auto’s niet meer ‘achter het hek’, maar nemen de werknemers ze mee naar huis. Wat zijn hiervan de gevolgen voor de fiscale bijtelling?

In de periode dat de medewerkers de leaseauto’s mee naar huis nemen, zijn deze auto’s aan hen ter beschikking gesteld. Je moet dan een bepaald bedrag optellen bij het belastbare loon van uw werknemers voor het privégebruik van de auto’s.

Rijdt een werknemer op kalenderjaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé met een ter beschikking gestelde auto, dan hoef je geen bedrag op te tellen bij zijn belastbare loon.

De werknemer kan bewijzen dat hij op kalenderjaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé rijdt met behulp van een sluitende rittenregistratie. Maar dat kan ook op andere manieren.

Als een auto voor een deel van het kalenderjaar ter beschikking staat van een werknemer, moet hij voor dat deel van het kalenderjaar berekenen hoeveel kilometers hij privé mag rijden.

Vraag 3. De werknemers hebben de aan hen ter beschikking gestelde auto’s tijdens de coronacrisis vrijwillig ingeleverd. De auto’s staan in de afgesloten garage van ons bedrijf en de sleutels zijn ingeleverd. Wat zijn hiervan de gevolgen voor de fiscale bijtelling?

In deze situatie zijn de auto’s niet meer ter beschikking gesteld aan de werknemers. Voor de periode waarin dat het geval is, hoef je in de aangifte loonheffingen dus geen bedrag op te tellen bij het belastbare loon van de werknemers voor het privégebruik van de auto’s.

Let op: dit geldt niet bij een bv en haar directeur-grootaandeelhouder(dga). De dga kan immers gebruik blijven maken van de auto.

Bron: Accountancy vanmorgen

Test met variabele bijtelling privégebruik zakelijke auto gestart

De komende maanden rijdt een klein aantal Nederlanders met een variabele bijtelling om te zien wat de effecten daarvan zijn op het privégebruik van een zakelijke auto. In deze pilot krijgen zulke rijders elke maand een fictieve salarisstrook en een beperkte financiële stimulans om de effecten te meten.

De Vereniging Zakelijke Rijders (VZR) voert samen met Stichting Keurmerk Ritregistratiesystemen een pilot uit om de te meten wat de effecten zijn van een variabele bijtelling. In totaal gaan tot en met december 110 mensen rijden met het idee dat ze worden afgerekend per gereden privékilometer in plaats van dat ze een vast bedrag aan bijtelling betalen. Deze praktijksimulatie is één onderdeel van het project, ook worden er kwalitatieve onderzoeken uitgevoerd, licht een woordvoerster van de VZR toe.

Zakelijke rijders zetten de auto gemiddeld 13.000 kilometer per jaar in voor privédoeleinden. Overheid en belangenverenigingen willen bewuster autogebruik stimuleren voor CO2-besparing. Maar ook secundaire effecten zijn interessant, bijvoorbeeld om te zien wat de effecten zijn op de bereikbaarheid van Nederlanders en wat dit betekent voor de andere verkeersinfrastructuur, zoals treintrajecten en fietspaden.

Lees ook: Voorkom bijtelling bij bestelbus van de zaak: registratie berijder auto fiscaal van belang

Aanvullend kwalitatief onderzoek

Bij het kwalitatieve onderzoek worden mensen die bijvoorbeeld nu geen bijtelling hebben gevraagd naar wat ze verwachten dat de effecten zijn van een variabele bijtelling. Of wat er verandert aan privéritten als ze nu een vast bedrag betalen, maar straks per kilometer betalen. In het huidige systeem wordt dezelfde bijtelling – een percentage van de cataloguswaarde – gerekend, tenzij gebruikers kunnen aantonen dat ze op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé hebben gereden.

Groener en flexibeler rijden

Het idee is om uit te zoeken hoe een variabele bijtelling financieel uitkomt voor bedrijven en de overheid. Om die reden gaven het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat samen met de MobiliteitsAlliantie opdracht voor dit project. Deze alliantie bestaat uit partijen in het OV, wegtransport en fietsersorganisaties, bijvoorbeeld de NS, Arriva, ANWB, BOVAG en de Fietsersbond. Het doel van de groep is om Nederland slimmer, flexibeler, groener en veiliger te vervoeren.

Fictieve salarisstrook

In de pilot krijgen de deelnemers een fictieve salarisstrook met waarin het verschil te zien is. Om ze ook een stimulans te geven, is er ook een financiële bonus. Uit de bevindingen van de praktijksimulatie en het kwalitatieve onderzoek rolt begin volgend jaar een rapport waaruit conclusies kunnen worden getrokken wat een variabele bijtelling betekent voor bijvoorbeeld de schatkist en klimaatbelangen.

Dit project is onderdeel van een groter plan met onderzoek naar variabele kosten en andere manieren om mensen flexibeler te vervoeren, bijvoorbeeld door experimenten met flexibele start- en eindtijden of collectief vervoer naar werkplaatsen.

Bron: CM

Thuiswerk maakt rit naar kantoor niet zakelijk voor BTW

Woon-werkverkeer van werknemers is fiscaal gezien een privéreis. Die kilometers tellen dus mee voor de BTW-correctie voor het privégebruik van de auto van de zaak. Ook als werknemers veel thuiswerken en dus ‘kiezen’ of ze naar kantoor komen, is zo’n rit woon-werkverkeer. Dat verlaagt de BTW-correctie dus niet, aldus het Arnhemse gerechtshof.

Zakelijke ritten of woon-werkverkeer

In deze zaak ging het om een advies- en accountantskantoor dat auto’s van de zaak ter beschikking stelde aan werknemers. De organisatie gebruikte het forfait om BTW af te dragen voor het privégebruik van de auto’s. Maar het kantoor maakte ook bezwaar tegen de hoogte van dat forfait, en vroeg de inspecteur om een BTW-teruggave.
De onderneming voerde daarbij onder meer aan dat de werknemers alle middelen hadden om hun werk ook thuis te doen. Ze hoefden niet naar kantoor te komen, alleen voor vergaderingen. Daarmee was het kantoor in feite maar één van de plekken waar zij konden werken, en hadden zij geen ‘vaste plaats van tewerkstelling’ meer. En dus was er volgens de organisatie ook geen sprake van woon-werkverkeer, maar van zakelijke ritten. Daarom zou de BTW-correctie op privégebruik lager moeten worden.

Karakter van ritten verandert niet, oordeelt hof

De inspecteur zag het anders, en weigerde de BTW-teruggave. En helaas voor werkgevers die nu door de coronacrisis veel meer inzetten op thuiswerken zat ook het gerechtshof op de lijn van de inspecteur. Het hof oordeelde dat de mogelijkheid om thuis te werken het karakter van de ritten tussen huis en kantoor niet wijzigt. Het ‘blijft een privéaangelegenheid van werknemers’ om naar kantoor te rijden, aldus het hof. Al met al kwam de BTW-teruggave er dus niet.

Bron: Rendement Online

Rekenkamer: CO2 besparen door elektrische auto’s te stimuleren erg duur

Het stimuleren van elektrische auto’s met belastingvoordelen is nog steeds meer dan vier keer duurder dan andere middelen om de CO2-uitstoot aan te pakken. Dit stelt de Rekenkamer.

Fiscale voordelen zijn er nu vooral voor zakelijke e-rijders, die flink minder bijtelling betalen dan automobilisten met een auto van de zaak op diesel of benzine. Deze lagere bijtelling moet automobilisten die anders een fossiele auto hadden gekocht overhalen een elektrische te kiezen. E-auto’s zijn duurder dan gewone wagens. Als meer mensen een e-auto kopen, zal de technologie vanzelf goedkoper worden, is daarbij de gedachte. Als straks meer Nederlanders een e-auto kunnen betalen, haalt het kabinet makkelijker zijn klimaatdoelstellingen.

Maar als gekeken wordt naar de kosten van deze stimulans, dan zijn die erg hoog als ze worden afgezet tegen de hoeveelheid bespaarde CO2, stelt de Rekenkamer in een reeks onderzoeken waarvan dinsdag de laatste verscheen. De kosten per ton CO2 die een e-auto bespaart, bedroegen vorig jaar 1.261 tot 1.695 euro. Dat is veel geld, aldus de Rekenkamer, zeker in vergelijking met andere klimaatprojecten, waarvoor de subsidie zelden de 300 euro overstijgt.

Goed nieuws is er ook: de kosten (feitelijk gaat het om gederfde belastinginkomsten) per bespaarde ton CO2 dalen elk jaar flink. In 2018 ‘kostte’ een Tesla Model X de staat nog 3.168 euro per uitgespaarde ton CO2. Toch noemt de Rekenkamer ook de huidige bedragen ‘relatief hoog’.

Staatssecretaris Hans Vijlbrief van Financiën zegt gehoor te hebben gegeven aan eerdere, vergelijkbare aanbevelingen van de Rekenkamer. Maar, zegt hij in zoveel woorden: de Rekenkamer kijkt terug en wij vooruit. Stimulering van e-auto’s blijft nodig tot 2025 om de klimaatdoelen te halen. Het kabinet wil dat in 2030 geen nieuwe auto’s met een verbrandingsmotor meer worden verkocht, en ook daarom moet de emissieloze technologie worden gestimuleerd.

Bovendien zijn er neveneffecten, zegt hoogleraar autotechnologie Maarten Steinbuch van de TU Eindhoven. Dankzij de stimulering van de e-auto loopt Nederland voorop met laadinfrastructuur en technologieën voor slim laden. ‘Feitelijk zetten wij hiervoor de wereldstandaard.’ In de sector werken vierduizend mensen, die ook allemaal belasting betalen, wil hij maar zeggen.

Daarnaast, benadrukt Steinbuch, betalen elektrische rijders ook accijns, net als hun benzine- en dieselcollega’s. ‘Ongeveer de helft van de energierekening is belasting, dus procentueel wordt er net zo veel belasting betaald over elke getankte kilowattuur.’

Dat dit in de praktijk leidt tot minder inkomsten voor de staatskas, komt volgens Steinbuch doordat elektrische auto’s veel efficiënter met energie omgaan. ‘Maar dat kun je de eigenaar niet aanrekenen. Vergelijk het met een benzineauto die 1 op 60 loopt. Die eigenaar zal ook minder accijns betalen.’

Steinbuch noemt het goed dat de Rekenkamer ook heeft gekeken naar de zogenaamde ‘counterfactuals’: welke auto zou een e-rijder hebben gekocht als hij geen dure Tesla of elektrische Jaguar had aangeschaft? Dat is zelden een auto van dezelfde prijsklasse, blijkt: zonder ‘subsidie’ had dezelfde ondernemer een auto gekocht die ongeveer 30 procent goedkoper zou zijn geweest. Dat betekent dat in dat geval de overheid minder belasting had geïnd in de vorm van bpm en btw, dan waar nu vaak vanuit werd gegaan.

Omdat fiscale voordelen voor de elektrische auto nu leiden tot ‘erosie van belastingopbrengsten’, adviseert de Rekenkamer nog eens goed te kijken of de huidige maatregelen voortgezet moeten worden. Betalen naar gebruik (‘rekeningrijden’) is volgens het onderzoek een belangrijke aanzet om het lek te dichten.

Bron: Volkskrant

Foute RDW-informatie voorkomt navordering bijtelling bestelauto niet

Hof Arnhem-Leeuwarden beslist dat de bijtelling privégebruik auto terecht is nagevorderd. X moet beseft hebben dat de RDW-registratie van de CO₂-uitstoot van de bestelauto evident onjuist was.

Ondernemer, X, rijdt per jaar meer dan 500 kilometer privé met een auto van de zaak. Het betreft een Volkswagen Transporter bestel D die op diesel rijdt. In zijn aangiften IB/PVV neemt X geen bijtelling voor privégebruik op omdat de auto volgens de RDW in de categorie “nulemissie” valt. De RDW vermeldde om ict-technische redenen vóór medio 2017 ook een emissie van “0 g/km” met betrekking tot voertuigen waarvan de emissie onbekend was. Na medio 2017 is deze vermelding door de RDW gewijzigd in “niet geregistreerd”. Bij X wordt een boekenonderzoek uitgevoerd naar de aanvaardbaarheid van het achterwege blijven van een bijtelling voor privégebruik auto. Naar aanleiding daarvan worden de in geschil zijnde navorderingsaanslagen IB/PVV 2012 en 2013 en een gecorrigeerde aanslag IB/PVV 2014 opgelegd.

Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden kwam pas uit het boekenonderzoek naar voren dat de auto beschikte over een dieselmotor. Het is dan dus geen nulemissie auto en evenmin is er sprake van een CO₂-uitstoot van ten hoogste 50 gram per kilometer. Dit vormt een nieuw feit op grond waarvan de inspecteur tot navordering kon overgaan. Het hof verwerpt het beroep van X op het vertrouwensbeginsel. X moet beseft hebben dat de RDW-registratie van de CO₂-uitstoot evident onjuist was. Het hoger beroep van X is ongegrond.

Bron: Taxlive