Terechte bijtelling voor Land Cruiser die niet als bestelauto wordt aangemerkt

Hof Den Haag beslist dat X bv niet bewijst dat de aan haar dga ter beschikking gestelde Land Cruiser een bestelauto is die (nagenoeg) uitsluitend geschikt is voor goederenvervoer. De correctie privégebruik auto is terecht.

X bv stelt aan haar dga/enig werknemer B een Land Cruiser ter beschikking die B ook voor privéritten mag gebruiken. B heeft privé geen auto. X bv neemt geen bijtelling in de zin van art. 13bis Wet LB 1964 wegens privégebruik op het loon van B in aanmerking. Volgens X bv is de Land Cruiser een bestelauto die (nagenoeg) uitsluitend geschikt is voor het vervoer van goederen. De inspecteur is het hier niet mee eens. In geschil zijn de naheffingsaanslagen loonheffingen over 2017 en 2018.

Hof Den Haag sluit zich aan bij de rechtbank en beslist dat X bv niet bewijst dat de Land Cruiser een bestelauto is die (nagenoeg) uitsluitend geschikt is voor goederenvervoer. Dat de Land Cruiser in het kentekenregister staat geregistreerd als bestelwagen is daartoe onvoldoende. Uit de overgelegde foto’s blijkt niet dat de Land Cruiser beschikt over een bijzondere inrichting met het oog op goederenvervoer. Ook blijkt dat, indien de achterkant is verwijderd, de Land Cruiser nog over vijf volwaardige zitplaatsen beschikt. De Land Cruiser wordt geacht B ook voor privédoeleinden ter beschikking te hebben gestaan. Niet aangetoond wordt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. De correctie privégebruik auto is terecht aangebracht. Het hoger beroep van X bv is ongegrond.

Bron: taxlive

Hof doet uitspraak over hardheidsclausule bij bijtelling privégebruik auto

De naheffingsaanslag voor een belastingplichtige die een procedure was gestart over de bijtelling voor privégebruik van zijn auto moet aangepast worden. Dat heeft het gerechtshof Den Haag vandaag in hoger beroep beslist. Ook geeft het Haagse gerechtshof het ministerie van Financiën in overweging de hardheidsclausule in deze zaak toe te passen, omdat de nu gehanteerde stelselmatige uitsluiting hiervan bij bijtelling privégebruik auto’s niet past bij een zorgvuldige overheid.

Een belastingplichtige is een procedure gestart over de bijtelling voor privégebruik van een auto in 2019. Een echtpaar (de belastingplichtige en zijn vrouw) werken bij hetzelfde bedrijf en hebben allebei een auto van de zaak. Zij spreken af alleen de auto van de vrouw voor privédoeleinden te gebruiken. De vrouw overlijdt medio 2019. Tot haar overlijden heeft de werkgever geen bijtelling toegepast bij de man (auto 1), maar wel bij de vrouw (auto 2). Vlak na het overlijden van de vrouw ruilt de man, op verzoek van de werkgever, auto 1 om voor auto 2. Vervolgens is bij hem voor de rest van het jaar wel bijtelling voor auto 2 toegepast. De Belastingdienst legt echter ook een naheffingsaanslag loonbelasting op voor de bijtelling voor het privégebruik van auto 1 door de man over het eerste deel van 2019, omdat hij niet aan de voorwaarden voldeed voor 0% bijtelling. Hij heeft namelijk in het gehele kalenderjaar 2019 niet met auto 1 en auto 2 samen minder dan 500 kilometer privé gereden.

Volgens het gerechtshof Den Haag heeft de man weliswaar niet voldaan aan de wettelijke voorwaarden om 0% bijtelling toe te passen, maar is het bedrag van de naheffingsaanslag te hoog. Omdat de man en de vrouw voor hetzelfde bedrijf werkten en ze hadden afgesproken auto 1 alleen te gebruiken voor (het gezamenlijke) woon-werkverkeer, moet de bijtelling worden verdeeld tussen de man en de vrouw. De bijtelling van de man wordt door het hof daarom ongeveer gehalveerd.

De man heeft – buiten deze procedure om – bij het ministerie van Financiën gevraagd om toepassing van de ‘hardheidsclausule’. Dan wordt gevraagd om een uitzondering op de wettelijke regel, als de wet tot onredelijke gevolgen leidt. Het Ministerie heeft dit verzoek afgewezen, omdat het vast beleid is dat de hardheidsclausule nooit wordt toegepast als het gaat om de bijtelling privégebruik auto. De belastingrechter is niet bevoegd de hardheidsclausule toe te passen en is ook niet bevoegd te controleren of de afwijzing door het ministerie terecht is. De Rechtbank had in deze procedure wel de hardheidsclausule toegepast, en hoewel dat niet mag, heeft het Haagse hof daar in dit geval begrip voor. ‘Ten overvloede’ (en dus niet bindend) overweegt het hof dat een beleidsmatige en stelselmatige uitsluiting van de hardheidsclausule niet past bij de zorgvuldigheid die van de overheid mag worden verwacht. De bijzondere omstandigheden van dit geval dwingen tot een zorgvuldige afweging van alle betrokken belangen. Dat is hier niet gebeurd, terwijl deze schrijnende situatie mogelijk voorkomen had kunnen worden. Het Haagse hof geeft het ministerie in overweging het beroep op de hardheidsclausule opnieuw te beoordelen.

Uitspraken

  • ECLI:NL:GHDHA:2022:9

Bron: de rechtspraak

Privékilometers auto vorige werkgever tellen niet mee bij nieuwe werkgever

Tellen de privékilometers, die een werknemer met de auto van zijn vorige werkgever heeft gereden, mee bij de nieuwe werkgever?

Mag een werknemer die halverwege het jaar bij een nieuwe werkgever begint op kalenderjaarbasis weer 500 privékilometers rijden?

Als de werknemer een verklaring geen privégebruik auto heeft, verklaart de werknemer daarin in een kalenderjaar maximaal 500 kilometer privé te rijden.

Stel een werknemer heeft bijtelling van 1 januari  tot en met 30 juni en maakt in die periode meer dan 500 privékilometers. Daarna treedt de werknemer in dienst bij een nieuwe werkgever en vraagt vanaf 1 juli een verklaring geen privégebruik aan. Leidt dit dan tot een naheffingsaanslag voor de werknemer? In het het kalenderjaar zijn immers meer dan 500 privékilometers gemaakt.

Weer 500 privékilometers

De privékilometers die een werknemer met de auto van de vorige werkgever heeft gereden, tellen niet mee bij de nieuwe werkgever. Bij de nieuwe werkgever mag de werknemer dus op kalenderjaarbasis weer 500 privékilometers rijden.

Voorbeeld auto twee werkgevers in één jaar

Een werknemer heeft vanaf 1 januari een auto van werkgever A en een Verklaring geen privégebruik auto. Hij is per 1 juli ontslagen en moet de auto inleveren. De werknemer heeft tot 1 juli 350 privékilometers gereden. Omgerekend naar een heel kalenderjaar is dat 700 privékilometers (12/6 x 350). De werknemer trekt de verklaring daarom direct in. Hij krijgt een naheffingsaanslag voor het voordeel van het privégebruik over januari tot en met juni.

Vanaf 1 oktober heeft de werknemer een nieuwe werkgever, werkgever B. Hij krijgt van deze werkgever ook een auto ter beschikking. De werknemer mag opnieuw een Verklaring geen privégebruik auto aanvragen. Want de privékilometers die hij met de auto van werkgever A heeft gereden, tellen niet mee voor de auto van werkgever B. De werknemer berekent dan hoeveel privékilometers hij tot 31 december maximaal mag rijden, namelijk 3/12 x 500 = 125 privékilometers.

Bron: Forum Salaris

Opletten bij laatste BTW-aangifte van dit jaar!

In de laatste BTW-aangifte van het jaar moet de BTW-ondernemer alle correcties en afrekeningen over 2021 meenemen. En dat kunnen er flink wat zijn, denk bijvoorbeeld aan de correctie voor de auto van de zaak! Het is er dus eentje waar de BTW-ondernemer extra aandacht aan moet besteden.

Bij het invullen van de laatste aangifte BTW over 2021 moet de BTW-ondernemer er rekening mee houden dat hij de onderstaande correcties en afrekeningen in de aangifte meeneemt:

  1. privégebruik door de BTW-ondernemer;
  2. fictieve diensten;
  3. correctie door Besluit Uitsluiting Aftrek (BUA);
  4. herziening van voorbelasting in verband met het gebruik van goederen en diensten voor zowel belaste, vrijgestelde als andere onbelaste doeleinden.

BTW over auto van de zaak 

Zo is de BTW-ondernemer over het privégebruik van een auto van de zaak BTW verschuldigd. Bij het ontbreken van een kilometeradministratie en bij het ontbreken van een zakelijke vergoeding moet hij de verschuldigde BTW forfaitair stellen op 2,7% van de cataloguswaarde van de auto (inclusief BTW en BPM).
Indien bij de aanschaf van de auto geen BTW in aftrek is gebracht – bijvoorbeeld omdat die auto onder de margeregeling is gekocht of vanuit privévermogen in de onderneming is ingebracht – geldt een forfaitaire bijtelling van 1,5%. Het forfait van 1,5% is ook van toepassing op auto’s die hij nog in gebruik heeft na afloop van het vierde jaar, volgend op het jaar waarin hij de auto is gaan gebruiken.

Rekening houden met BUA-correctie

De BTW op uitgaven zoals giften, relatiegeschenken en personeelsvoorzieningen kan een BTW-ondernemer niet altijd in aftrek brengen. In het Besluit Uitsluiting Aftrek (BUA) is namelijk een drempelbedrag opgenomen van € 227. Overschrijdt hij dit bedrag dan kan hij geen BTW meer in aftrek brengen. Het gaat hierbij om uitgaven van € 227 per werknemer of relatie per boekjaar.

Bron: FiscaalRendement

Bijtelling na 60 maanden: 22 of 25 procent?

Na 60 maanden bijtelling van de auto van de zaak vervalt het oorspronkelijke bijtellingspercentage. Wat wordt het nieuwe percentage?

Als de werknemer meer dan 500 privékilometers per jaar rijdt met een auto van de zaak, moet hij een bedrag bij het inkomen optellen voor het privégebruik van deze auto: de bijtelling. Welk bedrag de werknemer bij het inkomen moet optellen, hangt af de keuze van de auto (CO2-uitstoot) en de fiscale waarde ( = nieuwprijs zonder bijvoorbeeld kosten rijklaar maken) van de auto. Na 60 maanden vervalt het oorspronkelijke bijtellingspercentage. Wat wordt het nieuwe bijtellingspercentage?

Bijtellingspercentage

De autokeuze bepaalt het bijtellingspercentage. De afgelopen jaren zijn er veel bijtellingspercentages voorbijgekomen: 0 procent, 4 procent, 7 procent, 14 procent, 15 procent, 20 procent, 21 procent, 22 procent en 25 procent. Deze bijtellingspercentages gelden voor de periode van 60 maanden. De leaseauto heeft dus 60 maanden lang hetzelfde bijtellingspercentage.

Na 60 maanden

De auto kan na 60 maanden nog steeds gebruikt worden als leaseauto, maar wat wordt dan het bijtellingspercentage? De Belastingdienst geeft het volgende aan: “Direct na afloop van de periode van 60 maanden wordt het percentage opnieuw vastgesteld aan de hand van de regels die op dat moment gelden.”

22 of 25 procent

Vanaf 2017 is het standaard bijtellingstarief vastgesteld op 22 procent. Daarom wordt vaak aangenomen dat dit het huidige bijtellingspercentage is. Maar 22 procent bijtelling geldt alleen voor auto’s die vanaf 1 januari 2017 tenaamgesteld zijn. Voor auto’s die vóór 2017 tenaamgesteld zijn, is het algemene bijtellingspercentage 25 procent.

Voorbeeld auto met CO2-uitstoot

Een werknemer heeft een benzineauto die in 2017 op kenteken is gezet met een bijtellingspercentage van 7 procent (CO2-uitstoot van 25 gr/km). Na 60 maanden vervalt dit voordeel. In 2022 wordt het bijtellingpercentage 22 procent over de in 2017 geldende fiscale waarde van de auto.

Voorbeeld auto zonder CO2-uitstoot

De werknemer heeft een volledig elektrische auto die in 2017 op kenteken is gezet met een bijtellingspercentage van 4 procent (CO2-uitstoot van 0 gr/km). Na 60 maanden vervalt dit voordeel, maar de werknemer krijgt nog wel 10 procent korting op het toen geldende standaardtarief uit 2017 over de eerste €35.000. In 2022 heeft de werknemer dan 22 procent minus 10 procent is 12 procent bijtelling over de eerste € 35.000 en 22 procent over de rest van de fiscale waarde van de auto.

Youngtimer

Is de auto 15 jaar of ouder, dan valt deze onder de youngtimerregeling. Het algemene bijtellingspercentage is vastgesteld op 35 procent van de dagwaarde van deze auto. Gaat het om een volledig elektrische auto dan is het percentage 17 procent.

Wijzigingen vanaf 2022

Met ingang van 1 januari 2022 zijn er een aantal wijzigingen ten aanzien van de bijtelling voor de elektrische auto:

  1. Het bijtellingspercentage voor privégebruik van een zakelijke EV wordt afgebouwd zoals afgesproken in het Klimaatakkoord. In 2022 is de korting 6 procent en daarmee komt de bijtelling op 16 procent (normaal tarief is 22 procent).
  2. De catalogusprijs waarover de korting op het bijtellingspercentage voor EV’s geldt, wordt verlaagd. In 2022 wordt dit € 35.000 en vanaf 2023 € 30.000.

Bron: VZR.nl

Verklaring geen privégebruik auto komt later, wat nu?

Wat zijn de gevolgen voor de bijtelling als een werknemer een auto van de zaak ter beschikking krijgt en pas op een later moment de Verklaring geen privégebruik auto overhandigt? Wanneer moet de werkgever de bijtelling voor privégebruik toepassen?

Forum Salaris, een online platform van de Belastingdienst, gaf onlangs uitleg en een praktisch voorbeeld. Een werkgever kan zijn werknemer een auto van de zaak ter beschikking stellen. Als de werknemer de auto ook voor privédoeleinden mag of kan gebruiken, geldt een bijzondere regeling voor het privégebruik: de bijtelling. De werkgever mag de bijtelling voor het privégebruik van de auto achterwege laten als de werknemer op kalenderjaarbasis maximaal 500 kilometer privé rijdt. Dat geldt in de volgende situaties:

  • De werkgever beschikt over een sluitende rittenregistratie waaruit blijkt dat de werknemer niet meer dan 500 privékilometers rijdt.
  • De werkgever kan met een ander soort bewijs aantonen dat de werknemer niet meer dan 500 privékilometers rijdt.
  • De werkgever heet een kopie van de Verklaring geen privégebruik auto van de werknemer.

Privégebruik auto van de zaak omrekenen naar kalenderjaar

Tot het moment dat de werkgever een kopie van de Verklaring geen privégebruik auto ontvangt, moet hij per maand vaststellen of de werknemer – omgerekend naar een kalenderjaar – meer dan 500 kilometer privé zou rijden met de auto van de zaak. Na ontvangst van de verklaring mag de werkgever de bijtelling achterwege laten vanaf het eerste loontijdvak waarover hij het loon nog moet berekenen. Forum Salaris gaf een voorbeeld. Een werknemer krijgt op 1 maart een auto van de zaak ter beschikking en spreekt af dat hij een Verklaring geen privégebruik auto gaat aanvragen. Totdat de werkgever een kopie hiervan heeft ontvangen, moet hij per loontijdvak beoordelen of de bijtelling van toepassing is. Als de werknemer omgerekend naar een kalenderjaar meer dan 500 kilometer privé rijdt, moet hij de bijtelling toepassen. De werknemer heeft de auto tien maanden ter beschikking. In dit jaar moet hij dan 416 kilometer of minder rijden om onder de bijtelling uit te komen (10/12 x 500 = 416).

Eerste maanden zonder Verklaring geen privégebruik auto

Stel dat de werkgever in maart nog geen Verklaring geen privégebruik auto heeft overlegd en volgens zijn rittenregistratie 65 kilometer privé reed. Op kalenderjaarbasis is dit 10 x 65 = 650 kilometer. Dit is meer dan 416 kilometer, dus moet de werkgever bijtellen. In april is er nog steeds geen verklaring en rijdt de werknemer 55 kilometer privé. Over twee maanden heeft hij in totaal 120 privékilometers gereden: gemiddeld 60 kilometer per maand. Op kalenderjaarbasis is dit 10 x 60 = 600 kilometer. Dit is meer dan 416, dus is de bijtelling van toepassing.

Werknemer levert Verklaring geen privégebruik auto in

Vervolgens overhandigt de werknemer op 3 mei een kopie van de Verklaring geen privégebruik auto. Maar als de werkgever het loon over mei moet vaststellen, heeft hij geen rittenregistratie over die maand ontvangen. Met de verklaring mag hij de bijtelling achterwege laten, tenzij hij weet dat de werknemer op jaarbasis meer dan 416 kilometer zou rijden. Omdat hij bij het vaststellen van het loon niet weet hoeveel privékilometer de werknemer in mei reed, mag hij de bijtelling bepalen op wat hij wél weet. In totaal zijn 120 privékilometers gereden. Over drie maanden is dat 40 kilometer per maand. Op kalenderjaarbasis is dit 400, dus minder dan 416 kilometer. De werkgever mag de bijtelling achterwege laten.

Bron: RendementOnline

Hof: bijtelling voor dga autobedrijf die in onverkochte Audi A8 rondreed was terecht

De Belastingdienst heeft de dga van een autobedrijf terecht navorderingsaanslagen IB/PVV en vergrijpboetes opgelegd omdat hij over de jaren 2013 en 2014 geen privégebruik auto had opgenomen in zijn aangiften, heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld. Zijn BV was de economische en juridische eigenaar en dus is de auto met een cataloguswaarde van bijna € 200.000 aan de dga ter beschikking gesteld.

Audi A8

De dga is indirect aandeelhouder van een Nederlands bedrijf dat zich bezighoudt met de aan- en verkoop van luxe, exclusieve investment- en sportscars. In 2013 en 2014 woonde hij in Duitsland. Op 1 oktober 2013 wordt een Audi A8 (catalogusprijs € 199.541) intracommunautair geleverd aan het autobedrijf. Op 7 oktober 2013 wordt het (Duitse) kenteken van de auto op naam van de dga gezet, omdat de potentiële koper in Nederland was afgehaakt. De auto staat vanaf die datum tot en met 31 december 2014 aan de ondernemer ter beschikking. Op 16 mei 2016 is de auto verkocht.

Boekenonderzoek

Op 20 februari 2017 kondigt de Belastingdienst een boekenonderzoek aan naar de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting over het jaar 2012 tot en met 2014 en omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014. Omdat de dga de Audi A8 van 7-10-2013 tot en met 31-12-2014 ter beschikking heeft gehad stelt de fiscus zich op het standpunt dat het autokostenforfait van toepassing is. De berekening van de correctie inkomstenbelasting inzake bijtelling privégebruik auto over 2013 is € 199.541 * 25% * 3/12 = € 12.471. Over 2014: Audi A8, € 199.541 * 25% = € 49.885.

Dga spant rechtszaak aan

De dga gaat daar niet mee akkoord en brengt de zaak voor de rechter. De rechtbank Gelderland oordeelt dat zijn beroep tegen de aanslag IB/PVV 2014 ongegrond is, maar tegen die van 2013 gegrond. De navorderingsaanslag en boete over dat jaar worden daarom verminderd. De dga tekent daartegen hoger beroep aan.

Hoger beroep

Bij het hof is in geschil of terecht een bijtelling voor het privégebruik van de auto heeft plaatsgevonden. De dga voert daartoe aan dat hij in ieder geval de economische eigendom van de auto bezat, zodat geen sprake kan zijn van terbeschikkingstelling van de auto. Met betrekking tot de boete voert hij aan dat zijn standpunt minstens pleitbaar was, zodat de boete ook om die reden dient te vervallen.

Oordeel gerechtshof

Het hof buigt zich eerst over de juridische eigendom. Tussen partijen is niet in geschil dat het autobedrijf beschikkingsbevoegd was met betrekking tot de auto en dat de feitelijke terbeschikkingstelling vanaf 7 oktober 2013 als een levering zou kunnen worden aangemerkt. Partijen zijn verdeeld omtrent de vraag of hieraan de titel van koop (artikel 7:1 BW) ten grondslag heeft gelegen.

Het hof acht dit niet aannemelijk. De auto heeft een cataloguswaarde van bijna € 200.000 en werd zes dagen eerder in een transactie tussen derden verkocht voor € 63.547,60, te vermeerderen met een bedrag van € 3.879 voor de velgen. Het hof gaat ervan uit dat dit een reële benadering is van de waarde van de auto op 7 oktober 2013. De dga heeft niet gesteld dat omtrent de koop ook maar iets is afgesproken, ook geen koopprijs. Gelet op de substantiële waarde van de auto, acht het hof dit niet aannemelijk. Niettegenstaande het feit dat een koop mondeling kan worden overeengekomen, is ook niets omtrent de koop op papier vastgelegd. De koop is op geen enkele wijze geadministreerd bij het autobedrijf of de dga. Het autobedrijf is ook een substantieel deel van de kosten en lasten blijven dragen in deze periode en de auto is gedurende deze periode ook gerekend tot de handelsvoorraad van het bedrijf. Ten slotte is ook de dga er tot en met de beroepsfase vanuit gegaan dat de juridische eigendom gedurende de gehele periode bij het autobedrijf is blijven rusten.

Economisch eigendom

Over het economisch eigendom concludeert het Hof dat de auto door het autobedrijf aan de dga ter beschikking is gesteld. Dat volgt uit het feit dat het autobedrijf in de periode van 7 oktober 2013 tot en met 31 december 2014 in ieder geval het risico van waardeverandering van de auto door afschrijving daarop is blijven dragen. Ook heeft het autobedrijf in deze periode, buiten de herstelkosten van schade en enkele doorbelaste kosten, de kosten van onderhoud voor de auto betaald. Dat betekent dat niet (nagenoeg) het gehele risico van waardeverandering de dga aanging en betekent dat hij niet de economische eigendom van de auto bezat. De omstandigheid dat de dga achteraf, en nadat het boekenonderzoek reeds een aanvang had genomen, het autobedrijf in rekening-courant heeft gecompenseerd voor de daadwerkelijk opgekomen waardevermindering, is onvoldoende voor het oordeel dat met terugwerkende kracht enige waardeverandering van de auto slechts de dga aanging.

Vergrijpboete

Het hof acht het aannemelijk dat de dga, die werkzaam is in de autobranche, bekend is met de regels omtrent een bijtelling bij het loon in verband met een door de werkgever ter beschikking gestelde auto die tevens privé wordt gebruikt. De dga heeft aangevoerd dat hij bewust geen privégebruik auto heeft aangegeven. Naar het oordeel van het hof heeft de dga, door dit te doen zonder te onderzoeken of aannemelijk was of hij de juridische of economische eigendom van de auto had, bewust de aanmerkelijke kans genomen dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven. Het hof betrekt bij dit oordeel dat de dga op 29 april 2015 de aangifte IB/PVV 2013 heeft ingediend, terwijl de doorbelasting van door het autobedrijf gedragen kosten aan de dga – waarop de stelling dat de economische eigendom niet bij het autobedrijf maar bij de dga lag deels was gebaseerd – eerst heeft plaatsgevonden op 8 juni 2017, derhalve na de aankondiging van het boekenonderzoek op 20 februari 2017. Naar het oordeel van het hof is gelet daarop geen sprake van een pleitbaar standpunt en is de boete, zoals verminderd door de rechtbank, passend en geboden

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Bron: Accountancy Vanmorgen

Overheid ontving in 2020 2 miljard euro minder aan auto-milieubelastingen

De inkomsten uit de brandstofaccijnzen daalden doordat er minder kilometers gereden werden.
De Belastingdienst streek in 2020 22 miljard euro op aan milieubelastingen. In 2020 daalde de opbrengst uit milieubelastingen met 10,2 procent naar 22,2 miljard euro. Dat blijkt uit cijfers van het CBS. Een groot deel van de inkomstenderving komt doordat er flink wat minder geld is binnengehaald via de autogerelateerde belastingen. Zo daalde de autoverkoop in het afgelopen jaar met 20 procent naar 356 duizend, waardoor de bpm-opbrengst 35 procent lager uitkwam. Er werd 1,5 miljard euro aan bpm opgehaald, waar dit in 2019 nog 2,3 miljard euro was.

Ook daalde het aantal verreden kilometers, mede door de corona-lockdown, met 19,7 procent. Dat had zijn weerslag op de inkomsten uit brandstofaccijnzen. Die kwamen 12,9 procent lager uit, op 7,3 miljard euro. In 2019 bedroeg de opbrengst uit de brandstofaccijns nog 8,5 miljard euro.

In totaal kwam er uit de autogerelateerde milieubelastingen dus zo’n 2 miljard euro minder binnen in 2020.

Bron: Automotive