Privékilometers auto vorige werkgever tellen niet mee bij nieuwe werkgever

Tellen de privékilometers, die een werknemer met de auto van zijn vorige werkgever heeft gereden, mee bij de nieuwe werkgever?

Mag een werknemer die halverwege het jaar bij een nieuwe werkgever begint op kalenderjaarbasis weer 500 privékilometers rijden?

Als de werknemer een verklaring geen privégebruik auto heeft, verklaart de werknemer daarin in een kalenderjaar maximaal 500 kilometer privé te rijden.

Stel een werknemer heeft bijtelling van 1 januari  tot en met 30 juni en maakt in die periode meer dan 500 privékilometers. Daarna treedt de werknemer in dienst bij een nieuwe werkgever en vraagt vanaf 1 juli een verklaring geen privégebruik aan. Leidt dit dan tot een naheffingsaanslag voor de werknemer? In het het kalenderjaar zijn immers meer dan 500 privékilometers gemaakt.

Weer 500 privékilometers

De privékilometers die een werknemer met de auto van de vorige werkgever heeft gereden, tellen niet mee bij de nieuwe werkgever. Bij de nieuwe werkgever mag de werknemer dus op kalenderjaarbasis weer 500 privékilometers rijden.

Voorbeeld auto twee werkgevers in één jaar

Een werknemer heeft vanaf 1 januari een auto van werkgever A en een Verklaring geen privégebruik auto. Hij is per 1 juli ontslagen en moet de auto inleveren. De werknemer heeft tot 1 juli 350 privékilometers gereden. Omgerekend naar een heel kalenderjaar is dat 700 privékilometers (12/6 x 350). De werknemer trekt de verklaring daarom direct in. Hij krijgt een naheffingsaanslag voor het voordeel van het privégebruik over januari tot en met juni.

Vanaf 1 oktober heeft de werknemer een nieuwe werkgever, werkgever B. Hij krijgt van deze werkgever ook een auto ter beschikking. De werknemer mag opnieuw een Verklaring geen privégebruik auto aanvragen. Want de privékilometers die hij met de auto van werkgever A heeft gereden, tellen niet mee voor de auto van werkgever B. De werknemer berekent dan hoeveel privékilometers hij tot 31 december maximaal mag rijden, namelijk 3/12 x 500 = 125 privékilometers.

Bron: Forum Salaris

Opletten bij laatste BTW-aangifte van dit jaar!

In de laatste BTW-aangifte van het jaar moet de BTW-ondernemer alle correcties en afrekeningen over 2021 meenemen. En dat kunnen er flink wat zijn, denk bijvoorbeeld aan de correctie voor de auto van de zaak! Het is er dus eentje waar de BTW-ondernemer extra aandacht aan moet besteden.

Bij het invullen van de laatste aangifte BTW over 2021 moet de BTW-ondernemer er rekening mee houden dat hij de onderstaande correcties en afrekeningen in de aangifte meeneemt:

  1. privégebruik door de BTW-ondernemer;
  2. fictieve diensten;
  3. correctie door Besluit Uitsluiting Aftrek (BUA);
  4. herziening van voorbelasting in verband met het gebruik van goederen en diensten voor zowel belaste, vrijgestelde als andere onbelaste doeleinden.

BTW over auto van de zaak 

Zo is de BTW-ondernemer over het privégebruik van een auto van de zaak BTW verschuldigd. Bij het ontbreken van een kilometeradministratie en bij het ontbreken van een zakelijke vergoeding moet hij de verschuldigde BTW forfaitair stellen op 2,7% van de cataloguswaarde van de auto (inclusief BTW en BPM).
Indien bij de aanschaf van de auto geen BTW in aftrek is gebracht – bijvoorbeeld omdat die auto onder de margeregeling is gekocht of vanuit privévermogen in de onderneming is ingebracht – geldt een forfaitaire bijtelling van 1,5%. Het forfait van 1,5% is ook van toepassing op auto’s die hij nog in gebruik heeft na afloop van het vierde jaar, volgend op het jaar waarin hij de auto is gaan gebruiken.

Rekening houden met BUA-correctie

De BTW op uitgaven zoals giften, relatiegeschenken en personeelsvoorzieningen kan een BTW-ondernemer niet altijd in aftrek brengen. In het Besluit Uitsluiting Aftrek (BUA) is namelijk een drempelbedrag opgenomen van € 227. Overschrijdt hij dit bedrag dan kan hij geen BTW meer in aftrek brengen. Het gaat hierbij om uitgaven van € 227 per werknemer of relatie per boekjaar.

Bron: FiscaalRendement

Bijtelling na 60 maanden: 22 of 25 procent?

Na 60 maanden bijtelling van de auto van de zaak vervalt het oorspronkelijke bijtellingspercentage. Wat wordt het nieuwe percentage?

Als de werknemer meer dan 500 privékilometers per jaar rijdt met een auto van de zaak, moet hij een bedrag bij het inkomen optellen voor het privégebruik van deze auto: de bijtelling. Welk bedrag de werknemer bij het inkomen moet optellen, hangt af de keuze van de auto (CO2-uitstoot) en de fiscale waarde ( = nieuwprijs zonder bijvoorbeeld kosten rijklaar maken) van de auto. Na 60 maanden vervalt het oorspronkelijke bijtellingspercentage. Wat wordt het nieuwe bijtellingspercentage?

Bijtellingspercentage

De autokeuze bepaalt het bijtellingspercentage. De afgelopen jaren zijn er veel bijtellingspercentages voorbijgekomen: 0 procent, 4 procent, 7 procent, 14 procent, 15 procent, 20 procent, 21 procent, 22 procent en 25 procent. Deze bijtellingspercentages gelden voor de periode van 60 maanden. De leaseauto heeft dus 60 maanden lang hetzelfde bijtellingspercentage.

Na 60 maanden

De auto kan na 60 maanden nog steeds gebruikt worden als leaseauto, maar wat wordt dan het bijtellingspercentage? De Belastingdienst geeft het volgende aan: “Direct na afloop van de periode van 60 maanden wordt het percentage opnieuw vastgesteld aan de hand van de regels die op dat moment gelden.”

22 of 25 procent

Vanaf 2017 is het standaard bijtellingstarief vastgesteld op 22 procent. Daarom wordt vaak aangenomen dat dit het huidige bijtellingspercentage is. Maar 22 procent bijtelling geldt alleen voor auto’s die vanaf 1 januari 2017 tenaamgesteld zijn. Voor auto’s die vóór 2017 tenaamgesteld zijn, is het algemene bijtellingspercentage 25 procent.

Voorbeeld auto met CO2-uitstoot

Een werknemer heeft een benzineauto die in 2017 op kenteken is gezet met een bijtellingspercentage van 7 procent (CO2-uitstoot van 25 gr/km). Na 60 maanden vervalt dit voordeel. In 2022 wordt het bijtellingpercentage 22 procent over de in 2017 geldende fiscale waarde van de auto.

Voorbeeld auto zonder CO2-uitstoot

De werknemer heeft een volledig elektrische auto die in 2017 op kenteken is gezet met een bijtellingspercentage van 4 procent (CO2-uitstoot van 0 gr/km). Na 60 maanden vervalt dit voordeel, maar de werknemer krijgt nog wel 10 procent korting op het toen geldende standaardtarief uit 2017 over de eerste €35.000. In 2022 heeft de werknemer dan 22 procent minus 10 procent is 12 procent bijtelling over de eerste € 35.000 en 22 procent over de rest van de fiscale waarde van de auto.

Youngtimer

Is de auto 15 jaar of ouder, dan valt deze onder de youngtimerregeling. Het algemene bijtellingspercentage is vastgesteld op 35 procent van de dagwaarde van deze auto. Gaat het om een volledig elektrische auto dan is het percentage 17 procent.

Wijzigingen vanaf 2022

Met ingang van 1 januari 2022 zijn er een aantal wijzigingen ten aanzien van de bijtelling voor de elektrische auto:

  1. Het bijtellingspercentage voor privégebruik van een zakelijke EV wordt afgebouwd zoals afgesproken in het Klimaatakkoord. In 2022 is de korting 6 procent en daarmee komt de bijtelling op 16 procent (normaal tarief is 22 procent).
  2. De catalogusprijs waarover de korting op het bijtellingspercentage voor EV’s geldt, wordt verlaagd. In 2022 wordt dit € 35.000 en vanaf 2023 € 30.000.

Bron: VZR.nl

Verklaring geen privégebruik auto komt later, wat nu?

Wat zijn de gevolgen voor de bijtelling als een werknemer een auto van de zaak ter beschikking krijgt en pas op een later moment de Verklaring geen privégebruik auto overhandigt? Wanneer moet de werkgever de bijtelling voor privégebruik toepassen?

Forum Salaris, een online platform van de Belastingdienst, gaf onlangs uitleg en een praktisch voorbeeld. Een werkgever kan zijn werknemer een auto van de zaak ter beschikking stellen. Als de werknemer de auto ook voor privédoeleinden mag of kan gebruiken, geldt een bijzondere regeling voor het privégebruik: de bijtelling. De werkgever mag de bijtelling voor het privégebruik van de auto achterwege laten als de werknemer op kalenderjaarbasis maximaal 500 kilometer privé rijdt. Dat geldt in de volgende situaties:

  • De werkgever beschikt over een sluitende rittenregistratie waaruit blijkt dat de werknemer niet meer dan 500 privékilometers rijdt.
  • De werkgever kan met een ander soort bewijs aantonen dat de werknemer niet meer dan 500 privékilometers rijdt.
  • De werkgever heet een kopie van de Verklaring geen privégebruik auto van de werknemer.

Privégebruik auto van de zaak omrekenen naar kalenderjaar

Tot het moment dat de werkgever een kopie van de Verklaring geen privégebruik auto ontvangt, moet hij per maand vaststellen of de werknemer – omgerekend naar een kalenderjaar – meer dan 500 kilometer privé zou rijden met de auto van de zaak. Na ontvangst van de verklaring mag de werkgever de bijtelling achterwege laten vanaf het eerste loontijdvak waarover hij het loon nog moet berekenen. Forum Salaris gaf een voorbeeld. Een werknemer krijgt op 1 maart een auto van de zaak ter beschikking en spreekt af dat hij een Verklaring geen privégebruik auto gaat aanvragen. Totdat de werkgever een kopie hiervan heeft ontvangen, moet hij per loontijdvak beoordelen of de bijtelling van toepassing is. Als de werknemer omgerekend naar een kalenderjaar meer dan 500 kilometer privé rijdt, moet hij de bijtelling toepassen. De werknemer heeft de auto tien maanden ter beschikking. In dit jaar moet hij dan 416 kilometer of minder rijden om onder de bijtelling uit te komen (10/12 x 500 = 416).

Eerste maanden zonder Verklaring geen privégebruik auto

Stel dat de werkgever in maart nog geen Verklaring geen privégebruik auto heeft overlegd en volgens zijn rittenregistratie 65 kilometer privé reed. Op kalenderjaarbasis is dit 10 x 65 = 650 kilometer. Dit is meer dan 416 kilometer, dus moet de werkgever bijtellen. In april is er nog steeds geen verklaring en rijdt de werknemer 55 kilometer privé. Over twee maanden heeft hij in totaal 120 privékilometers gereden: gemiddeld 60 kilometer per maand. Op kalenderjaarbasis is dit 10 x 60 = 600 kilometer. Dit is meer dan 416, dus is de bijtelling van toepassing.

Werknemer levert Verklaring geen privégebruik auto in

Vervolgens overhandigt de werknemer op 3 mei een kopie van de Verklaring geen privégebruik auto. Maar als de werkgever het loon over mei moet vaststellen, heeft hij geen rittenregistratie over die maand ontvangen. Met de verklaring mag hij de bijtelling achterwege laten, tenzij hij weet dat de werknemer op jaarbasis meer dan 416 kilometer zou rijden. Omdat hij bij het vaststellen van het loon niet weet hoeveel privékilometer de werknemer in mei reed, mag hij de bijtelling bepalen op wat hij wél weet. In totaal zijn 120 privékilometers gereden. Over drie maanden is dat 40 kilometer per maand. Op kalenderjaarbasis is dit 400, dus minder dan 416 kilometer. De werkgever mag de bijtelling achterwege laten.

Bron: RendementOnline

Hof: bijtelling voor dga autobedrijf die in onverkochte Audi A8 rondreed was terecht

De Belastingdienst heeft de dga van een autobedrijf terecht navorderingsaanslagen IB/PVV en vergrijpboetes opgelegd omdat hij over de jaren 2013 en 2014 geen privégebruik auto had opgenomen in zijn aangiften, heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld. Zijn BV was de economische en juridische eigenaar en dus is de auto met een cataloguswaarde van bijna € 200.000 aan de dga ter beschikking gesteld.

Audi A8

De dga is indirect aandeelhouder van een Nederlands bedrijf dat zich bezighoudt met de aan- en verkoop van luxe, exclusieve investment- en sportscars. In 2013 en 2014 woonde hij in Duitsland. Op 1 oktober 2013 wordt een Audi A8 (catalogusprijs € 199.541) intracommunautair geleverd aan het autobedrijf. Op 7 oktober 2013 wordt het (Duitse) kenteken van de auto op naam van de dga gezet, omdat de potentiële koper in Nederland was afgehaakt. De auto staat vanaf die datum tot en met 31 december 2014 aan de ondernemer ter beschikking. Op 16 mei 2016 is de auto verkocht.

Boekenonderzoek

Op 20 februari 2017 kondigt de Belastingdienst een boekenonderzoek aan naar de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting over het jaar 2012 tot en met 2014 en omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014. Omdat de dga de Audi A8 van 7-10-2013 tot en met 31-12-2014 ter beschikking heeft gehad stelt de fiscus zich op het standpunt dat het autokostenforfait van toepassing is. De berekening van de correctie inkomstenbelasting inzake bijtelling privégebruik auto over 2013 is € 199.541 * 25% * 3/12 = € 12.471. Over 2014: Audi A8, € 199.541 * 25% = € 49.885.

Dga spant rechtszaak aan

De dga gaat daar niet mee akkoord en brengt de zaak voor de rechter. De rechtbank Gelderland oordeelt dat zijn beroep tegen de aanslag IB/PVV 2014 ongegrond is, maar tegen die van 2013 gegrond. De navorderingsaanslag en boete over dat jaar worden daarom verminderd. De dga tekent daartegen hoger beroep aan.

Hoger beroep

Bij het hof is in geschil of terecht een bijtelling voor het privégebruik van de auto heeft plaatsgevonden. De dga voert daartoe aan dat hij in ieder geval de economische eigendom van de auto bezat, zodat geen sprake kan zijn van terbeschikkingstelling van de auto. Met betrekking tot de boete voert hij aan dat zijn standpunt minstens pleitbaar was, zodat de boete ook om die reden dient te vervallen.

Oordeel gerechtshof

Het hof buigt zich eerst over de juridische eigendom. Tussen partijen is niet in geschil dat het autobedrijf beschikkingsbevoegd was met betrekking tot de auto en dat de feitelijke terbeschikkingstelling vanaf 7 oktober 2013 als een levering zou kunnen worden aangemerkt. Partijen zijn verdeeld omtrent de vraag of hieraan de titel van koop (artikel 7:1 BW) ten grondslag heeft gelegen.

Het hof acht dit niet aannemelijk. De auto heeft een cataloguswaarde van bijna € 200.000 en werd zes dagen eerder in een transactie tussen derden verkocht voor € 63.547,60, te vermeerderen met een bedrag van € 3.879 voor de velgen. Het hof gaat ervan uit dat dit een reële benadering is van de waarde van de auto op 7 oktober 2013. De dga heeft niet gesteld dat omtrent de koop ook maar iets is afgesproken, ook geen koopprijs. Gelet op de substantiële waarde van de auto, acht het hof dit niet aannemelijk. Niettegenstaande het feit dat een koop mondeling kan worden overeengekomen, is ook niets omtrent de koop op papier vastgelegd. De koop is op geen enkele wijze geadministreerd bij het autobedrijf of de dga. Het autobedrijf is ook een substantieel deel van de kosten en lasten blijven dragen in deze periode en de auto is gedurende deze periode ook gerekend tot de handelsvoorraad van het bedrijf. Ten slotte is ook de dga er tot en met de beroepsfase vanuit gegaan dat de juridische eigendom gedurende de gehele periode bij het autobedrijf is blijven rusten.

Economisch eigendom

Over het economisch eigendom concludeert het Hof dat de auto door het autobedrijf aan de dga ter beschikking is gesteld. Dat volgt uit het feit dat het autobedrijf in de periode van 7 oktober 2013 tot en met 31 december 2014 in ieder geval het risico van waardeverandering van de auto door afschrijving daarop is blijven dragen. Ook heeft het autobedrijf in deze periode, buiten de herstelkosten van schade en enkele doorbelaste kosten, de kosten van onderhoud voor de auto betaald. Dat betekent dat niet (nagenoeg) het gehele risico van waardeverandering de dga aanging en betekent dat hij niet de economische eigendom van de auto bezat. De omstandigheid dat de dga achteraf, en nadat het boekenonderzoek reeds een aanvang had genomen, het autobedrijf in rekening-courant heeft gecompenseerd voor de daadwerkelijk opgekomen waardevermindering, is onvoldoende voor het oordeel dat met terugwerkende kracht enige waardeverandering van de auto slechts de dga aanging.

Vergrijpboete

Het hof acht het aannemelijk dat de dga, die werkzaam is in de autobranche, bekend is met de regels omtrent een bijtelling bij het loon in verband met een door de werkgever ter beschikking gestelde auto die tevens privé wordt gebruikt. De dga heeft aangevoerd dat hij bewust geen privégebruik auto heeft aangegeven. Naar het oordeel van het hof heeft de dga, door dit te doen zonder te onderzoeken of aannemelijk was of hij de juridische of economische eigendom van de auto had, bewust de aanmerkelijke kans genomen dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven. Het hof betrekt bij dit oordeel dat de dga op 29 april 2015 de aangifte IB/PVV 2013 heeft ingediend, terwijl de doorbelasting van door het autobedrijf gedragen kosten aan de dga – waarop de stelling dat de economische eigendom niet bij het autobedrijf maar bij de dga lag deels was gebaseerd – eerst heeft plaatsgevonden op 8 juni 2017, derhalve na de aankondiging van het boekenonderzoek op 20 februari 2017. Naar het oordeel van het hof is gelet daarop geen sprake van een pleitbaar standpunt en is de boete, zoals verminderd door de rechtbank, passend en geboden

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Bron: Accountancy Vanmorgen

Overheid ontving in 2020 2 miljard euro minder aan auto-milieubelastingen

De inkomsten uit de brandstofaccijnzen daalden doordat er minder kilometers gereden werden.
De Belastingdienst streek in 2020 22 miljard euro op aan milieubelastingen. In 2020 daalde de opbrengst uit milieubelastingen met 10,2 procent naar 22,2 miljard euro. Dat blijkt uit cijfers van het CBS. Een groot deel van de inkomstenderving komt doordat er flink wat minder geld is binnengehaald via de autogerelateerde belastingen. Zo daalde de autoverkoop in het afgelopen jaar met 20 procent naar 356 duizend, waardoor de bpm-opbrengst 35 procent lager uitkwam. Er werd 1,5 miljard euro aan bpm opgehaald, waar dit in 2019 nog 2,3 miljard euro was.

Ook daalde het aantal verreden kilometers, mede door de corona-lockdown, met 19,7 procent. Dat had zijn weerslag op de inkomsten uit brandstofaccijnzen. Die kwamen 12,9 procent lager uit, op 7,3 miljard euro. In 2019 bedroeg de opbrengst uit de brandstofaccijns nog 8,5 miljard euro.

In totaal kwam er uit de autogerelateerde milieubelastingen dus zo’n 2 miljard euro minder binnen in 2020.

Bron: Automotive

Haast geboden met wetgeving voertuigdata

  • Er is haast geboden, aldus advocaat Ahmad Qurishi, om de Europese Commissie zover te krijgen om wetgeving te maken voor toegang tot voertuigdata. Een spelregel kan zijn: zeggenschap over voertuigdata ligt bij de consument.

In de politiek zijn er zorgen voor de groeiende markt van vervoersdata, maar vooral ook de kwetsbare positie van consumenten en nieuwe dienstverleners. Inmiddels is bijna 40 procent van de in Europa geproduceerde auto’s voorzien van een internetverbinding. De veelheid aan data die een auto genereert via deze verbinding kan worden gedeeld met talloze partijen. Daarmee is ook de privacy van de consument in het geding.

Een mooi voorbeeld waarbij de privacy van een autogebruiker centraal staat,  is de uitspraak van de rechtbank Amsterdam in een zaak tussen een ondernemer en Tesla Nederland. De ondernemer had een vordering ingesteld jegens Tesla in verband met het gebrekkig functioneren van zijn Tesla Model S. In een half jaar tijd zou de ondernemer 10 keer terug naar de garage zijn geweest, aangezien er sprake zou zijn van meerdere gebreken. Tesla stelde op zijn beurt dat op basis van log-data van Tesla is gebleken dat de ondernemer vijf keer vaker plankgas accelereert dan een gemiddelde Tesla-bestuurder. Als gevolg daarvan zouden bepaalde onderdelen sneller slijten dan gebruikelijk.

Aanvaardbaar

De vordering van de ondernemer werd afgewezen, omdat in de handleiding duidelijk staat vermeld dat vaak snel accelereren kan leiden tot snellere slijtage van bepaalde onderdelen. De wet bepaalt dat bewijs door alle middelen kan worden geleverd en dat de waardering van het bewijs aan het oordeel van de rechter is overgelaten, tenzij de wet anders bepaalt. In een civiele procedure geldt niet als algemene regel dat de rechter op onrechtmatig verkregen bewijs geen acht mag slaan. Het belang van waarheidsvinding is daarom zo groot, dat alleen in uitzonderingssituaties het bewijs niet gebruikt mag worden. Toch is het angstaanjagend dat autofabrikanten dus het rijgedrag – en de locatie – van bestuurders kunnen en mogen beoordelen, delen en verwerken. Hier moet de politiek zich over gaan buigen: is dit maatschappelijk aanvaardbaar?

Remweg

Voertuigen worden tegenwoordig volledig voorzien van digitale systemen die zowel het functioneren van de auto in kaart brengen, als de omgeving scannen waar het voertuig zich bevindt. Op basis van deze data krijgt de bestuurder signalen (te dicht bij belijning van de weg, object gelokaliseerd binnen een bepaalde afstand, etc). Ook wordt informatie verzameld over de snelheid op enig willekeurig tijdstip, de benodigde remweg op een bepaalde locatie bij een specifieke snelheid, etc.

Een groeiend aantal voertuigen stuurt deze data via de ingebouwde internetverbinding naar de cloud. Niet verrassend is dat talloze partijen belangstelling voor deze data tonen. Variërend van autofabrikanten en leasebedrijven die op het rijgedrag toegesneden onderhoud of reparatie willen aanbieden tot dienstenleveranciers van verkeersinformatie. En hiermee is het vraagstuk van controle en zeggenschap over voertuigdata geagendeerd in de politiek.

De rol van de Autoriteit Persoonsgegevens is beperkt, omdat veel fabrikanten buiten Nederland zijn gevestigd

In maart 2020 zijn door (D66) Kamerleden kritische vragen gesteld over de autosector, die in veel gevallen niet voldoet aan de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Zo blijkt ook uit verschillende onderzoeken van de ANWB en zijn Duitse evenknie ADAC, dat er zorgen zijn over privacy bij verschillende automerken. De rol van de privacy toezichthouder Autoriteit Persoonsgegevens (AP) blijft echter beperkt, omdat veel fabrikanten buiten Nederland zijn gevestigd, waarbij de AP geen leidende toezichthouder is. In opdracht van de voormalige minister van Infrastructuur en Waterstaat, Cora van Nieuwenhuizen, is door onderzoeksbureau Ecorys onderzoek gedaan naar het delen van voertuigdata en interfaces. In het rapport zijn onder meer observaties gedaan over de rol van de privacywetgeving.

Zolang het speelveld niet verandert, hebben consumenten en ondernemers het nakijken

In dit verband speelt onder meer de vraag of autofabrikanten al dan niet expliciet toestemming van consumenten nodig hebben voor het verzamelen, gebruiken en verder verstrekken van vervoersdata. Zolang het speelveld niet verandert, hebben consumenten en ondernemers hier het nakijken. Fabrikanten stellen zich op het standpunt dat toestemming in feite is verkregen bij de aankoop van de auto. Aanvullend beargumenteren fabrikanten toestemming niet nodig te hebben, omdat zij een gerechtvaardigd belang hebben bij diverse doeleinden waarvoor de data worden verwerkt. Onderhandelen met de dealer, zoals u gewend bent te doen bij de extra opties, zal helaas weinig soelaas bieden. Talloze keuzes wat betreft dataverzameling en verwerking zijn reeds technisch in de auto verdisconteerd. Hiermee wordt via digitale technieken de (rechts)verhouding tussen partijen afgedwongen waardoor (consument)kopers extra kwetsbaar zijn.

De minister heeft aangekondigd aan de slag te gaan met de zorgen die zijn geagendeerd in het Ecorys-rapport. Zo is inmiddels de Europese alliantie Afcar opgericht. Afcar is de Europese alliantie ‘for the Freedom of Car Repair. Hierin trekt Figiefa (de Europese koepel van RAI Aftermarket) in coalitie met de tien ondertekenende verenigingen op om de nieuw samengestelde Europese Commissie ertoe aan te zetten wetgeving vast te stellen voor toegang tot in het voertuig gegenereerde gegevens. Haast is echter geboden. Over het algemeen zijn de zorgen namelijk niet nieuw en specifiek voor de groeiende markt van vervoersdata. Andere terreinen van de digitale economie tonen aan dat een te aarzelend optreden van de wetgever betekent dat bepaalde partijen een zodanige machtspositie kunnen opbouwen dat consumenten en ondernemers uiteindelijk niet tot nauwelijks om deze partijen heen kunnen.

De verplichting aan fabrikanten om voertuigen uit te rusten met gordels, airbags of reserveband dient de verkeersveiligheid en daarmee het belang van burgers. Ook in een data-economie mag van autofabrikanten worden verlangd dat ze zich aan spelregels houden als ze een product afleveren dat gebruik maakt van de publieke ruimte. Zo’n spelregel kan zijn: zeggenschap over voertuigdata ligt bij de consument(koper).

Bron: Automotive

Nieuwe handreiking Belastingdienst over vakantieauto en bijtelling

Een werkgever kan gedurende de vakantieperiode een ‘vakantieauto’ ter beschikking stellen aan de werknemer. Of de werknemer levert de auto van de zaak in tijdens de vakantieperiode. Wat de gevolgen zijn voor de bijtelling is afhankelijk van de situatie. In een handreiking heeft de Belastingdienst de gevolgen beschreven voor de bijtelling in enkele situaties.

Deze situaties luiden als volgt:

  • De werknemer heeft gedurende de vakantieperiode gelijktijdig twee auto’s ter beschikking.
  • De werknemer krijgt een vervangende auto tijdens de vakantieperiode.
  • De werknemer heeft enkel tijdens de vakantieperiode een auto ter beschikking.
  • De werknemer huurt tijdens vakantie een auto van de werkgever.
  • De werknemer levert de auto van de zaak in tijdens vakantieperiode.

Tijdens vakantieperiode twee auto’s

Stelt de werkgever een werknemer tijdens de vakantieperiode gelijktijdig twee of meer auto’s ter beschikking, dan moet hij het privégebruik per auto beoordelen. De bijtelling privégebruik auto past de werkgever toe voor elke auto waarmee de werknemer op kalenderjaarbasis meer dan 500 privékilometers rijdt.

Redelijke toepassing van deze regels betekent dat de bijtelling privégebruik auto bij meerdere ter beschikking gestelde auto’s beperkt kan blijven tot één auto als de werknemer alleenstaand is of als in zijn gezin één persoon een rijbewijs heeft. De werkgever houdt alleen rekening met de bijtelling van de auto met de hoogste cataloguswaarde. Als in het gezin van de werknemer twee personen een rijbewijs hebben, berekent de werkgever de bijtelling over twee auto’s. De werkgever houdt alleen rekening met de bijtelling van de twee auto’s met de hoogste cataloguswaarde.

Let op!
Per 1 januari 2022 houdt de werkgever rekening met de auto(‘s) met de hoogste bijtelling.

Tijdens vakantieperiode vervangende auto

Heeft de werknemer een auto van de zaak en krijgt hij tijdens de vakantieperiode een andere auto ter beschikking, dan moet de werkgever bijtellen als zijn werknemer in het kalenderjaar in totaal meer dan 500 kilometer privé rijdt. De bijtelling geldt dan voor beide auto’s, gedurende de periode dat deze auto’s aan de werknemer ter beschikking staan. De werkgever moet het privégebruik voor elke auto naar tijdsgelang berekenen.

Alleen tijdens vakantie een auto ter beschikking

Het kan zijn dat de werkgever de werknemer alleen voor de vakantieperiode een auto ter beschikking stelt. Dan moet de werkgever de gereden privékilometers omrekenen tot het aantal privékilometers dat zijn werknemer zou rijden in een heel kalenderjaar. Als dit meer is dan 500 kilometer, berekent de werkgever de bijtelling naar tijdsgelang.

Werkgever verhuurt auto

Als de werkgever tijdens de vakantieperiode een auto verhuurt aan de werknemer, is het afhankelijk van feiten en omstandigheden of de werkgever de bijtelling moet toepassen. De werkgever kan hierover contact opnemen met:

Belastingdienst/team Auto/PGA
Postbus 9001
6800 DB Arnhem

Sleutels inleveren tijdens vakantie

Een werknemer rijdt meer dan 500 kilometer privé met de auto van de zaak. Tijdens de vakantieperiode van één maand levert hij de sleutels van de auto in. Is dan de bijtelling nog van toepassing voor deze maand? In deze situatie moet de werkgever vaststellen of de auto nog ter beschikking staat tijdens de vakantie.

Voor een juiste beoordeling door de werkgever staan aanwijzingen en suggesties in de brochure Handreiking privégebruik auto van de Belastingdienst.

Bron: taxlive